Mythes over het feminisme

Afbeelding bij Mythes over het feminisme

Mythes over het feminisme

Zeg dat je feministe bent en de vooroordelen buitelen over elkaar heen: stekeltjeshaar, ongeschoren benen, mannenhaat en paarse tuinbroeken. Niet dat er foto’s te vinden zijn van grote vrouwen uit de Tweede Feministische Golf in tuinbroek. En stekeltjeshaar hebben Joke Kool-Smit, Gloria Steinem, Alice Schwarzer en Hedy d’ Ancona óók nooit gehad. Ter gelegenheid van 35 jaar Opzij de hardnekkigste mythes op een rijtje.


Brandende beha’s

Vreugdevuren van walmende lingerie luidden eind jaren zestig het begin van de Tweede Feministische Golf in. Tenminste als je de verhalen moet geloven. In Nederland ging er welgeteld één korset in de fik. Op 23 januari 1970 bestormden twintig dolle mina’s het instituut Nyenrode, uit protest omdat het geen vrouwen tot de opleiding toeliet. In één wilde run ging het door naar het standbeeld van Wilhelmina Drucker in Amsterdam, waar als eerbetoon aan haar strijd voor het vrouwenkiesrecht een korset werd verbrand.
En hoewel vele feministes de roerige jaren daarna behaloos door het leven gingen, is er van andere smeulende beha’s geen bewijs gevonden.
Ook in het buitenland is de mythe van de behaverbranding onuitroeibaar. Actievoerende feministes gooiden bij de Miss Americaverkiezing van 1968 symbolen van onderdrukking in een vuilnisbak, waaronder make-up, schoenen met hoge hakken en, jawel, een beha. Maar in brand gestoken werd er niets, verzekeren Amerikaanse feministen van de tweede golf. Journalisten legden echter een link tussen deze actie en die van militairen die hun oproepkaart verbrandden uit protest tegen de Vietnamoorlog. Et voilà: de mythe was geboren.
In Duitsland en België doen eveneens verhalen over brandende beha’s de ronde, maar ook daar ging – zo blijkt uit gedegen feministisch onderzoek – geen lingerie in vlammen op. Dan deed Dolle Mina het met dat korset zo gek nog niet.


Tuinbroeken

En dan de paarse tuinbroek, een raadselachtig kledingstuk. Zo op het oog heeft deze namelijk niets met feminisme te maken, maar wie het over ‘tuinbroekfeminisme’ heeft, doelt op de vrijgevochten vrouwen van de jaren zeventig. Onsterfelijk werd ze door het gedicht ‘De paarse tuinbroek’ van Jean Pierre Rawie, uit 1982: ‘Want waar de liefde aan kapot ging/ maanden na die eerste zoen/ was dat jij dat paarse rotding/ nooit eens van je kont wou doen.’
De eerste dolle mina’s voerden actie in minirok of gewoon in spijkerbroek, en hele abortusdemonstraties werden afgelegd in lange broek en hippiejurk. Pas aan het eind van de jaren zeventig kwam de tuinbroek ‘in’. En hoe. De tuinbroek stond voor antimode, ze ging in tegen het gangbaar vrouwelijke. Paars is van oudsher een feministische kleur, die al sinds de suffragettes uit het begin van de 20ste eeuw staat voor gerechtigheid en zelfrespect.
Feministisch of niet, de tuinbroek was in diverse kleuren buitengewoon populair in de nadagen van de hippies, ook bij mannen trouwens. Een rondgang bij Opzij leert dat zeker drie redactrices er destijds een hadden – maar geen paarse. Deze ging er zelfs mee naar een tentamen.


Behaarde benen

Om nog even bij het uiterlijk te blijven: feministes hebben gemillimeterd haar. Op hun hoofd wel te verstaan, want op de rest van hun lichaam (benen en oksels) mag het ongehinderd groeien. Zoals sociologe Christine Delhaye in een betoog over mode en feminisme (Lover, 2003) schreef: ‘Tuinbroek, behaarde benen, snorharen en een onopgemaakt gezicht. Daaraan herkende je de authentieke onvervalste vrouw die trouw was aan zichzelf.’ Deze vrouwen wilden niet als lustobject bekeken worden en in geen geval voldoen aan het door mannen bedachte schoonheidsideaal. Onder invloed van het lesbisch feminisme werden ultrakort haar en mannenpakken populair.
Het was van het begin af aan een venijnige discussie: mogen feministen er goed uitzien? Dolle Mina gaf ruiterlijk toe dat zij bij acties vooral leuke, sexy meiden inzette om te voorkomen dat de buitenwereld de beweging truttig en blauwkouserig zou vinden en de boodschap naast zich neer zou leggen. Ziedaar: de tuinbroekfeministen tegenover de lipstickfeministen.
Sinds Madonna’s opkomst in de jaren tachtig staat wel vast dat sterke, onafhankelijke vrouwen er ook sexy en vrouwelijk uit kunnen zien. En dat de vraag of je je benen onthaart niet het belangrijkste strijdpunt is. Maar het blijft ingewikkeld: feminisme en uiterlijk. Wat te doen als de modepolitie kleding voorschrijft die vooral ontwikkeld lijkt voor magere meisjes van 14? En wat te denken van de schoonheidsdwang, waarin doodnormale vrouwen schaamlipcorrecties overwegen en meisjes voor hun 18de verjaardag een borstvergroting vragen?


Manvijandig

Onontkoombaar: feministes zijn mannenhaters. Wie de positie van vrouwen wil verbeteren, maakt zich bij mannen niet direct populair. En sommige feministes zagen mannen ook ronduit niet zitten. Zo haalde de Amerikaanse Valerie Solanas in 1967 internationaal de pers met haar Manifest van de Bond voor het Uitroeien van Mannen (SCUM-manifesto), waarin zij betoogde: ‘[De man] is een halfdode, niet tot reactie in staat zijnde vleesklomp, onbekwaam tot het schenken of genieten van genoegen of geluk. Dus is hij in het gunstigste geval stomvervelend, een onschadelijke nul...’ enzovoort. Zij werd wereldberoemd toen zij een jaar later uit woede kunstenaar Andy Warhol neerschoot. Hij overleefde de aanslag amper.
In Nederland gingen feministes niet zover dat alle mannen vermoord moesten worden, maar de voorvechtsters van de lesbische beweging Paarse September konden het prima zonder hen af. Zij schreven in 1972: ‘Homoseksualiteit is een politieke keuze die vrouwen maken als ze het serieus menen met hun feminisme.’ Ofwel: je gaat niet met je onderdrukker naar bed. Waar gelijk de mythe vandaan komt dat alle feministes eigenlijk lesbisch zijn.
De grote vrouwenorganisaties van de jaren zeventig waren echter niet manvijandig. Van begin af aan waren mannen lid van ManVrouwMaatschappij en Dolle Mina. Vrouwen en mannen konden alleen samen emanciperen, was het idee. Maar van het stempel mannenhaat komt de vrouwenbeweging niet meer af.


Kinderhaters

Feministes zouden ook niet van kinderen houden. Kinderen kunnen ook behoorlijk in de weg zitten als je buitenshuis wilt werken en je man daarbij geen handje wil helpen.
Door de pil konden vrouwen er voor het eerst voor kiezen zich van de ‘tirannie van het moederschap’ te bevrijden. Vrouwen gaven in allerlei boeken en pamfletten openlijk toe dat het moederschap hun behoorlijk tegenviel en dat zij zich ‘kindermachines’ voelden. Zij eisten door middel van baas in eigen buik-acties het recht op zelf te beslissen of ze abortus zouden plegen, wat niet bijdroeg aan het beeld van kindvriendelijkheid.
Feit blijft dat veel feministes gewoon kinderen hebben. Niet voor niets gaat de huidige discussie juist over de vraag hoe je werk en zorg eerlijk kunt verdelen. Vandaar het pleidooi voor langer vaderschapsverlof, papadagen en meer en betere kinderopvang. Juist in geëmancipeerde landen waar de opvang goed geregeld is en vaders hun steentje kunnen bijdragen, ligt het kindertal hoger dan in traditionelere landen.


Linkse types

Feministes zijn enorm links. Daar zit wel wat in, het feminisme is een emancipatiebeweging en die doen het traditioneel beter bij progressieve dan bij rechtse partijen, die immers alles het liefst bij het oude laten.
De banden tussen feministisch en links werden nauw aangehaald toen Dolle Mina in 1971 volmondig voor ‘feminisme als onderdeel van de klassenstrijd’ koos en zich overal fem-soc-groepen ontpopten.
Maar dat wil niet zeggen dat rechtse partijen vrouwonvriendelijk zijn. Zeker de VVD, vanouds voorvechter van het zelfbeschikkingsrecht van de mens, heeft de vrouwenbeweging vaak geholpen. Samen met de PvdA hebben de liberalen ervoor gezorgd dat er in 1980 een abortuswet kwam.
En de eerste staatssecretaris voor emancipatie Jeltien Kraaijeveld (1977-1981), van CDA-huize, voerde de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen in. Daarna kwam Hedy d’ Ancona (PvdA), die van alles in gang zette in het jaar dat ze staatssecretaris was, wat keurig werd afgemaakt door haar opvolgster Annelien Kappeyne van de Coppello (VVD). Zij voltooide het eerste beleidsplan emancipatie en de nota seksueel geweld. D66-staatssecretaris Annelies Verstand introduceerde het betaald zorgverlof en legde de emancipatiedoelstellingen vast tot 2010. En minister ‘de emancipatie is voltooid’ De Geus (CDA) regelde in 2004 mooi dat werkgevers mee moeten betalen aan de kinderopvang, een doorbraak.
Maar toch moeten we het vooral van linkse politici hebben: vanaf de opheffing van de handelingsonbekwaamheid van gehuwde vrouwen (initiatief van Corry Tendeloo in 1955), tot de Wet op het ouderschapsverlof (1990, Elske ter Veld) en die op het deeltijdwerk (1996, Ad Melkert). Allen PvdA’ers. En wie weet waar minister Plasterk nog mee komt!


Vredelievend

Dan een mythe uit de oude doos: vrouwen zijn vredelievend, met vrouwen aan het roer is er minder oorlog. Vrouwen zijn immers de brengers van leven en ‘dus’ minder moordlustig dan mannen. Dat feministe Valerie Solanas met haar manifest niet geheel in dit hokje past, mag duidelijk zijn.
Het op zich zo sympathieke beeld is al oud. In het boek Moederland uit 1915, als de strijd voor het vrouwenkiesrecht op zijn hoogtepunt is, beschrijft Charlotte Perkins Gilman een land waar vrouwen het voor het zeggen hebben. Er heerst geen oorlog en geen strijd om het bestaan. ‘Ze overlegden samen en overdachten hun problemen. Zeer heldere sterke denkers waren het.’ Sinds de Eerste Wereldoorlog tot op de dag van vandaag zijn veel vrouwen actief in de vredesbeweging en groepen tegen kernwapens.
Aan de andere kant zijn met de opkomst van vrouwelijke politici meer vrouwen dan ooit direct betrokken bij besluiten over oorlog en vrede; machthebbers als Golda Meir, Margaret Thatcher en Indira Ghandi begonnen ieder een oorlog. Sinds de Rote Armee Fraktion in de jaren zeventig zijn ook vrouwelijke terroristen geen uitzondering meer. Volgens de Italiaanse oorlogsverslaggeefster Oriana Fallaci zijn vrouwen als het erop aankomt zelfs oorlogszuchtiger dan mannen: ‘Als vrouwen de oorlog intrekken, zijn ze erger dan mannen. (…) De reden? Misschien om wat Golda Meir ooit zei: Wanneer een vrouw iets doet, moet ze het beter doen om te laten zien dat ze het kan als een man.’ (1993) Dat is nou weer het andere uiterste. Laten we hopen dat dat ook een mythe is.


Kattengekken

Ten slotte: vrouwen houden van poezen. Zoals schrijfster Renate Dorrestein al eens constateerde: ‘Aan feministische personen zit zo dikwijls een poes vast, dat gesproken mag worden van causaal verband.’ Haar verklaring voor deze innige band: wederzijds begrip. ‘Nu kan de poes ook inderdaad iets wat, pakweg, de gemiddelde man onmogelijk weet te presteren: ons niet onderbreken als we net lekker op dreef komen over ons leven, de kosmos, de economie of de voorjaarsmode.’ (Opzij, 1991.)
Is dat zo? Of is het meer dat katten zo prettig onafhankelijk zijn, niet opgevoed hoeven te worden en met brokjes, een plekje in de zon en een kattenluik volmaakt gelukkig zijn?
Hoeveel er ook over feminisme getheoretiseerd is, waarom wij zo van poezen houden is nimmer diepgaand onderzocht. We gaan er maar van uit dat deze mythe gewoon waar is. U hebt dat zelf ook aangegeven. Uit een onderzoek onder Opzij-lezeressen bleek al in 1987 dat zij een of meer poezen hebben, en vrijwel nooit een hond. Wat meteen de regelmatig terugkerende kattenvoerreclames in uw lijfblad verklaart.

Door / 08 juli 2010 / ()

Hanna Bervoets wint Opzij Literatuurprijs 2012!

5 artikelen

Opzij op iPad

Download de Opzij-app in de appstore voor € 3,99 per editie. Voor Opzij-abonnees is hij gratis!