intimiteit: tussen bindingsdrang en bindingsangst

Intimiteit is een van onze eerste levensbehoeften, bijna zoiets als de behoefte aan eten en drinken. Want dat je zonder intimiteit dood gaat is misschien te fors uitgedrukt, maar onze kwaliteit van leven verbetert sterk als we in ons leven (voldoende) intimiteit ervaren. En mensen die in een intieme relatie leven, worden minder snel ziek en maken minder kans om vroegtijdig te overlijden. Een intieme relatie is dus goed voor ons. Maar dat betekent niet dat we ons er gemakkelijk aan overgeven. Wat houdt ons dan tegen? En kun je intimiteit leren?

Vraag mensen wanneer ze zich het meest intiem voelen en ze komen met uiteenlopende situaties. ‘Het ontstaat als ik me niet gedwongen voel me anders voor te doen dan ik ben,’ zegt de een. ‘Als ik het idee heb dat we elkaar over en weer begrijpen,’ zegt de ander. En terwijl de een zich het meest intiem voelt bij de persoon met wie ze vrijt, is er voor de ander niets intiemer dan het letterlijk samen slapen.

Tja, wat is intimiteit? Voor de meeste mensen: het diepe gevoel van verbondenheid met een ander mens. Intimiteit en intieme relaties zijn echter niet synoniem. Sommige mensen ervaren hun diepste gevoelens van intimiteit namelijk met God of met objecten. Dat neemt niet weg dat de meeste mensen bij intimiteit toch aan een intieme relatie denken, met als belangrijkste ingrediënt dat de ander hen accepteert zoals ze zijn. Met hun zwakke en misschien zelfs slechte kanten.

David Schnarch betuigt in zijn boek Passionate Marriage (1997) dat intimiteit meer betekent dan emotionele of fysieke nabijheid, meer dan zorg hebben voor elkaar en ook meer dan communicatie of betrokkenheid. Dat zijn weliswaar prettige en belangrijke aspecten van een relatie, maar intimiteit overstijgt dit alles. Schnarch stelt dat het ervaren van intimiteit au fond een ingewikkeld proces is en dat het niet iedereen is gegeven om werkelijke intimiteit te ervaren. Je moet namelijk in staat zijn tegelijk stukken van jezelf met de ander te delen én je eigen identiteit te behouden. In een intieme relatie geef je jezelf dus niet weg en je offert je al helemaal niet op. Nee, je blijft je bewust van je eigen ‘Ik’, dat zowel gescheiden is van als een verbinding aangaat mét de ander. Schnarch spreekt in dat verband van een ‘I-Thou experience’.

De meeste psychologen zijn het erover eens dat de manier waarop iemand zich als volwassene in intieme relaties manifesteert vooral te maken heeft met de relatie die hij of zij met zijn/haar ouders (of verzorgers) had. Beter gezegd, met de verbintenis die de ouders met hem of haar aangingen. Kinderen die door hun ouders werden geaccepteerd zoals ze waren (ook als het bijvoorbeeld op school niet goed ging of ze niet zo succesvol waren in sport, muziek en vriendjes), ontwikkelen meestal zo veel zelfvertrouwen en vertrouwen in hun medemens dat ze zich als volwassene prettig voelen in sociale en intieme relaties. Ze zijn niet bang plotseling in de steek gelaten te worden en hebben een veilige hechtingsstijl ontwikkeld. Aan de andere kant staan de volwassenen wier ouders er zelden of niet waren als zij ze nodig hadden, of wier ouders te pas en te onpas kritiek op hen hadden. Zij hebben niet de kans gekregen om vertrouwen in zichzelf en anderen te ontwikkelen. Hun hechtingsstijl is onveilig.

De laatste tien à vijftien jaar worden ook neurobiologische factoren genoemd die ten grondslag zouden liggen aan het menselijk vermogen zich te hechten en intieme relaties aan te gaan. Twee hormonen zouden daarbij de hoofdrol spelen: oxytocine en vasopressine. Oxytocine wordt in de tijdschriften voor ouders van jonge kinderen nogal eens het ‘liefdeshormoon’ genoemd. Zo eenduidig is het niet, maar inmiddels staat wel vast dat oxytocine en hechting iets met elkaar te maken hebben. Het is echter lastig om te onderzoeken wat die relatie precies is: je kunt moeilijk de ene groep jonge vaders en moeders volspuiten met deze stofjes en ze een andere groep onthouden, om vervolgens de verschillen in hechting met hun baby te bestuderen. Oxytocine wordt onder andere voor en tijdens het baren in het hersenaanhangsel en in de eierstokken gevormd. Het wekt de weeën op waardoor de baby geboren kan worden en stimuleert de toeschietreflex waardoor de melktoevoer naar de tepels op gang komt. Maar oxytocine doet meer. Het heeft invloed op de stofwisseling van de moeder, die er rustig van wordt. Zogende moeders geven hun kind dus niet alleen melk, maar ook warmte en rust. En terwijl ze hun kind voeden, strelen ze het. Daardoor neemt het oxytocinegehalte in hun bloed nog meer toe, met als gevolg nog meer rust, warmte, enzovoort. Op die manier, wordt gesteld, ontstaan gevoelens van verbondenheid en hechting bij moeder en kind.

Ook vasopressine is wellicht een goede kandidaat als hechtingshormoon. Bij vrouwtjesapen roept het moederlijke gevoelens op, aldus de uitkomsten van een experiment. Maar wat het bij mensen doet, weten we echter nog niet zo precies.

Mannen en vrouwen lijken intimiteit anders te ervaren. Neem een echtpaar bij de therapeut. Zij: ‘We kunnen niet eens praten en dan denkt hij ook nog dat ik zin heb om met hem naar bed te gaan!’

Hij begrijpt er niets van. Natuurlijk wil hij vrijen, niets liever dan dat. Niet alleen omdat het lekker is, maar ook omdat hij ernaar verlangt dicht bij zijn vrouw te zijn, zich geborgen te voelen en intiem te zijn. En daar begrijpt zijn vrouw weer niets van. Hoezo intimiteit via de seks? Voor haar betekent intimiteit dat ze met haar man over haar gevoelens kan praten.

Wie herkent het niet: dat zij die ene soort intimiteit wil – praten, haar gevoelens delen – en hij die andere – lichamelijk contact waardoor hij opgewonden raakt. Onderzoek bevestigt het cliché. Veel vrouwen willen vooral emotionele intimiteit. Ze willen positieve en negatieve gevoelens delen: blijdschap, opluchting, schaamte, frustratie, angsten. Mannen daarentegen focussen vaker op seksuele intimiteit: kussen, samen een erotische film kijken, strelen, seksueel opgewonden worden. Interessant is vervolgens of stellen die dit verschil ervaren, toch voldoende tot elkaar kunnen komen.

Psychologen onderscheiden overigens veel meer soorten intimiteit. Edward Waring ontwikkelde in 1983 een vragenlijst voor (echt)paren. Hij onderscheidt vijf vormen: intellectuele, spirituele, affectieve, lichamelijke en seksuele intimiteit. Bagarozzi differentieerde in 2001 nog verder en kwam tot negen intimiteitsgebieden: emotionele, psychologische, intellectuele, seksuele, lichamelijke, spirituele, esthetische, sociale en temporele intimiteit. Beide auteurs beklemtonen dat mensen niet zozeer verschillen in de behoefte aan intimiteit, als wel in de soort intimiteit waar ze naar verlangen. Is het die arm om je heen (lichamelijke intimiteit), die bergwandeling die je samen maakt (sociale intimiteit) of die gesprekken over mystiek (spirituele intimiteit)?

Mensen die een partner kiezen met ongeveer hetzelfde ‘intimiteitsprofiel’ hebben het relatief gemakkelijk. Want het lukt niet – of matig – om je partners voorkeur te veranderen. Desondanks is het voor het welslagen van een relatie van belang om maximaal aan elkaars behoeften tegemoet te komen. Anders wordt het een schrale boel.

De keerzijde van het verlangen naar intimiteit is de angst om je te binden. Internet heeft ons op dat gebied heel wat te bieden. Er bestaan zelfs speciale sites waar bindingsbange mensen met elkaar kunnen chatten; je zou het een patiëntenplatform kunnen noemen. Op andere sites wordt met het begrip bindingsangst juist de vloer aangeveegd. Daar lezen we dat bindingsangst niet meer is dan de ordinaire smoes van mannen om wel te neuken maar geen relaties te hoeven aangaan. ‘Sorry schat, ik heb last van bindingsangst, dus je begrijpt dat het verder niets kan worden.’

Volgens psychologen bestaat bindingsangst wel degelijk. Eenvoudig gezegd gaat het om het gevoel dat je vrijheid verdwijnt als je een relatie aangaat. Iemand met bindingsangst kan daarom niet echt intiem zijn. Psycholoog Willy Pasini (1990) onderscheidt in zijn boek Intimiteit drie vormen van bindingsangst, de angst voor intimiteit dus. Ten eerste bindingsangst als angst voor versmelting. Hij zegt daarover: ‘Intimiteit veroorzaakt een tijdelijke, relatieve verzwakking van je eigen grenzen. Hierdoor loop je het risico te versmelten met de ander, ook al is dit slechts tijdelijk. De versmelting betekent soms gewoonweg het afschuiven van alle verantwoordelijkheid op de ander. Maar personen met weinig zelfvertrouwen beleven dit als een gevaarlijke, soms zelfs beklemmende situatie en zijn er als de dood voor.’

Als tweede vorm van intimiteitsangst noemt hij de angst van mensen om zichzelf in het contact met een ander bloot te geven. Niet iedereen durft zich geestelijk ‘uit te kleden’ voor een ander. Met als consequentie dat je je niet wilt of durft laten ‘kennen’ en je intimiteit dus zult vermijden.

De angst dat een relatie je gevangen zet, is de derde vorm van intimiteitsangst die Pasini beschrijft. Volgens hem hebben vooral mannen hier last van. Deze mannen ervaren een relatie als een gevangenis en proberen daar met alle macht buiten te blijven. Ze hebben seks met vrouwen, maar geven zich emotioneel niet en delen hun hart met hun vrienden. Vertaald naar 2005 zou je kunnen zeggen dat al die dertigers die single blijven omdat ze zich telkens weer benauwd voelen in een vastere relatie hiervan een voorbeeld zijn.

Hoe de angst voor intimiteit er in de praktijk uit kan zien, laat het verhaal van Janneke en Simon zien. Ze zijn nu tien jaar samen. Janneke viel op Simon omdat hij zo geduldig was en zo fijn kon luisteren; Simon vond het wel grappig hoe Janneke erin slaagde hem een beetje dichter bij zijn gevoelens te krijgen. Zij tilde de sluier op naar een tot dan toe voor hem onbekende wereld. De eerste jaren ging het goed, maar nu zitten ze bij de therapeut met ‘communicatieproblemen’. Al snel wordt duidelijk dat communicatie helemaal niet het probleem is. Het probleem is dat Simon niet langer het onderwerp van de communicatie wil zijn, terwijl Janneke daar nu juist wel behoefte aan heeft. Ze wil ook weleens horen wat Simon denkt en voelt. Niet alleen over haarzelf en hun kinderen, maar ook over zijn gevoelens over zijn ouders, zijn familie, zijn vrienden en collega’s. En hoe hij denkt over de zin van het leven en of hij bang is voor de dood. Simon weet inmiddels twee dingen heel zeker: hij voelt gewoon niks. En Janneke moet maar eens ophouden met dat gewroet.

Het is niet moeilijk om te begrijpen waarom Simon zo afhoudend is over zijn emoties. Hij kon vroeger minder goed leren dan zijn drie oudere zussen. Tot teleurstelling van zijn vader, die dat overduidelijk liet merken. Met als gevolg dat Simon diep van binnen het gevoel kreeg dat het toch niet deugde wat hij deed en zich in zijn schulp terugtrok. In het begin van hun relatie trok Janneke hem daar wel een beetje uit. Maar ze wil te veel; zo gedifferentieerd zijn Simons gevoelens nu ook weer niet. Daarnaast heeft hij als kind geleerd om belangrijke personen op een afstand te houden, (onbewust) bang als hij was dat ze hem toch niet zouden accepteren. Omdat jong geleerd oud gedaan is, staat de inmiddels bindingsangstige Simon nu vol op de rem.

Simon ervaart duidelijk angst voor intimiteit en gaat zulke gesprekken dan ook actief uit de weg. Hij gaat zelfs zover dat hij helemaal niets meer voelt en de pogingen van Janneke om nader tot hem te komen, afdoet met gewroet en gezeur. Zelf heeft hij nergens last van. Dat zien we vaker bij mensen die niet zoveel intimiteit aankunnen. Ze lijken nergens onder te lijden. Integendeel, het zijn vaak leuke en gezellige, aangepaste mensen met voldoende sociale vaardigheden. Ze willen het alleen nergens over hebben, constateren hun partners. Of ze ‘deep down’ misschien toch een gemis ervaren, is (nog) onduidelijk.

Het tegenovergestelde van bindingsangst is bindingsdrang. In dat geval zien we mensen voor wie de intimiteit die ze met hun partner ervaren nooit genoeg is. Op alle mogelijke manieren proberen ze aan ‘meer’ te komen. Vaak door te claimen, zich op te dringen en chantage te plegen. Neem Meike. Ze is 35 en woont samen met haar vriend. Hun aanvankelijk zo zonnige en onbevangen relatie begint flinke barsten te vertonen, want Meike drijft haar vriend tot wanhoop met haar gedrag. Iedere dag bellen, stil en stug worden of hyperventileren als hij een afspraak met zijn vrienden heeft, scènes maken als hij de krant wil lezen in plaats van met haar te praten. Haar vriend begrijpt best dat het claimende gedrag van zijn vriendin te maken heeft met haar levensgeschiedenis. Meikes ouders zijn gescheiden toen ze vijf jaar was. Haar vader stichtte al snel een nieuw gezin waar Meike niet erg welkom was. Haar moeder bleef boos en verbitterd en had nauwelijks oog voor haar dochter. Meike vult nu het gat in dat toen ontstaan is, redeneert haar vriend. Hij weet niet hoe lang hij het nog volhoudt. Vooralsnog noemt hij haar Rupsje Nooitgenoeg.

Meike is obsessief bezig met intimiteit in de relatie en interpreteert alles wat niet in die richting wijst als mogelijke tekenen dat haar partner haar minder interessant vindt of haar bijvoorbeeld wil verlaten. Ze reageert daarop met claimend gedrag. Ze wil hem immers ‘terugwerven’. Geen wonder dat hij probeert om afstand te nemen. Wat voor Meike natuurlijk weer een extra bewijs vormt dat hij haar inderdaad in de steek wil laten. En vanuit dat gezichtspunt is het weer geen wonder dat Meike nog meer pogingen doet om hem vast te houden. Door scènes, hyperventilatie, zwijgen, huilen en vul maar in. Met als gevolg dat haar vriend nog een beetje meer afstand neemt. Enzovoort.

We weten nog lang niet alles over bindingsangst, weet Roos Vonk, hoogleraar sociale psychologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Zij doet al jaren onderzoek naar hechtingsstijlen en intimiteit en op dit moment bekijkt ze in hoeverre de verschillende hechtingsstijlen (veilig, bindingsbang en bindingsdrang) een samenhang vertonen met persoonlijkheidskenmerken: staat narcisme bijvoorbeeld gevoelens van verbondenheid met de partner in de weg? Daarnaast onderzoekt ze in hoeverre bepaalde typen elkaar aantrekken. Is het inderdaad zo – wat iedereen denkt – dat bindingsbange mensen en mensen met bindingsdrang zich tot elkaar voelen aangetrokken? En zo ja, hoe komt dat dan en hoe werkt het precies? Ten slotte bekijkt ze nog of iemands hechtingsstijl alleen wordt beïnvloed door ervaringen in de kinderjaren, of dat wellicht ook ervaringen in de volwassen partnerrelaties een rol spelen.

Wanneer dreigt er een gebrek aan intimiteit in je relatie en moet je er alles aan doen om de verhouding te verbeteren? Liegen, vooral dingen voor jezelf doen, niet (meer) luisteren, cynische opmerkingen tegen de partner maken, agressieve uitingen, alcohol- en drugsgebruik... het zijn allemaal signalen dat het minder goed gaat. Ze werken ook sterk ondermijnend.

Om de situatie te verbeteren, moedigt Bagarozzi stellen aan om zijn intimiteitsvragenlijst (met die negen intimiteitsgebieden) serieus door te nemen. Zo krijgen ze inzicht in de soort intimiteit die voor henzelf en voor hun partner op de eerste plaats komt. En wat nog belangrijker is: ze krijgen concreet zicht op hun onderlinge verschillen. Veel van die verschillen zijn overbrugbaar en onderhandelbaar, betuigt de relatietherapeut. Hij is echter realistisch genoeg om paren ook voor te houden dat de verschillen zo groot kunnen zijn dat er niets anders op zit dan dat maar te accepteren.

In veel zelfhulpboeken zijn ‘communiceren’ en ‘onderhandelen’ de toverwoorden. Ze wekken de indruk dat je partner tegemoet zal komen aan jouw intimiteitswensen als je hem maar eerlijk en direct vertelt waar je naar verlangt, mits je dat doet op een positieve manier, dus zonder verwijten en zonder boosheid. En dat je dus kunt onderhandelen: ‘Vandaag geef ik jou seks als jij morgen je gevoelens met mij deelt.’

Ik geloof daar niet zo in, gegeven de soms erg diepe wortels van de problemen die mensen hebben met intimiteit. Daarmee ben ik trouwens in het goede gezelschap van Schnarch. Hij gelooft evenmin dat intimiteitsproblemen door een betere communicatie kunnen worden opgelost en betuigt zelfs dat stellen die weinig intimiteit kennen juist heel goed communiceren. Ze weten namelijk precies wat de ander wil, ze hebben alleen geen zin in om in die behoefte te voorzien.

Therapeuten weten dat mensen pas bereid zijn om iets aan zichzelf te veranderen als ze er last van hebben. In hun jargon: er moet sprake zijn van lijdensdruk. Simon uit het eerdere voorbeeld ervaart bijvoorbeeld geen enkele lijdensdruk. Sterker nog, volgens hem heeft niet híj maar zijn vrouw Janneke een probleem. ‘Die wil gewoon te veel.’ Hij is dan ook niet gemotiveerd om te veranderen. En dat betekent dat er voor Janneke niet veel meer op zit dan haar relationele zegeningen te tellen en te accepteren dat haar man haar op gevoelsniveau niet zoveel te bieden heeft. Het alternatief is om bij hem weg te gaan.

Psychologe Hilde van der Ploeg raadt dat laatste aan zolang het nog kan. In haar ‘sexwoordenboek’ op internet (www.sexwoordenboek.nl) somt ze op hoe je mensen met bindingsangst herkent.

1. Ze hebben veel korte relaties na elkaar.

2. Ze blijven twijfelen of hun partner wel ‘de ware’ is.

3. Ze geven hun geliefde het gevoel dat hij of zij te veel aandacht vraagt.

4. Ze brengen meer tijd met hun vrienden door dan met hun geliefde.

5. Als ze een relatie hebben, willen ze niet lang samen zijn. Een vakantie samen zien ze vaak niet zitten.

Van der Ploegs raad is kort en goed. ‘Als je een relatie hebt met iemand met bindingsangst, blijft er afstand tussen jullie bestaan. Het is erg moeilijk daar verandering in te brengen. Tenzij je lover dit probleem erkent en eraan wil werken, is het verstandig er een punt achter te zetten en iemand te zoeken die niet bang is voor intimiteit.’ <

Door Willeke Bezemer / 01 juli 2005 / ()

5 artikelen
  • Neelie, jaloersmakend authentiek

    17 april 2014

    Deze maand verschijnt het boek Neelie. Brave meisjes schrijven zelden geschiedenis waarin familie, vriend, vijand en Neelie Kroes zelf vertellen over het leven van ’s lands succesvolste vrouw. Speciaal voor Opzij licht de schrijfster van het boek, historicus Alies Pegtel, Kroes’ emancipatoire ontwikkeling uit. Gevolgd door een voorpublicatie uit het boek.

  • Een beetje stress is goed voor je

    17 april 2014

    Weer tot middernacht doorgewerkt om met stoom uit je oren de deadline te halen? Helemaal niet zo erg. Een beetje stressen is gezond. En maakt nog sociaal ook.

  • ‘Joods zijn stond voor oorlog en ellende’

    17 april 2014

    Natascha van Weezel (27) is ze de kleindochter van vier holocaust overlevenden. Vorig jaar rondde ze de filmacademie in Amsterdam af. In haar documentaire staat haar zoektocht naar herkenning bij andere kleinkinderen van de holocaust centraal.

  • PvdA-er Yücel dient initiatiefwetsvoorstel in om de loonkloof te dichten

    17 april 2014

    Lees hier alvast het interview met PvdA-Kamerlid Keklik Yücel in het mei-nummer van Opzij. Vandaag dient zij haar initiatiefwetsvoorstel in om de ongelijke beloning tussen mannen en vrouwen aan te pakken. Vrouwen verdienen 17 procent minder dan mannen. Dat komt deels door opleidingsverschil, deeltijdwerk en het feit dat vrouwen in andere sectoren werken dan mannen.

  • Nigeriaanse meisjes: ontvoerd in plaats van eindexamen doen

    16 april 2014

    Zeker honderd Nigeriaanse middelbare schoolmeisjes zijn maandagnacht door gewapende mannen meegenomen. De ontvoerders zijn waarschijnlijk van de radicaalislamitische terreurgroep Boko Haram. Tientallen gewapende mannen bestormden maandagnacht een middelbare school voor meisjes in Chibok, Nigeria.