MENSEN ZONDER UITSTRALING – JENTE POSTHUMA

Deed ik maar iets, denkt de stuurloze hoofdpersoon in dit coming of age-verhaal. Maar ja, hoe ontwikkelt iemand iets ongrijpbaars als uitstraling?

In Mensen zonder uitstraling, het romandebuut van Jente Posthuma, komen weinig mensen zonder uitstraling voor. Niet dat alle personages charismatische knapperds zijn, op psychiater John na dan, want die lijkt op een filmster. Maar toch, iedereen heeft wel iets wat hem of haar onderscheidt, al waren het maar voeten die overmatig zweten of onsmakelijke eetgeluiden.

Mensen zonder uitstraling is een beknopt coming of age-verhaal over een stuurloze hoofdpersoon die besluit om naar Parijs te vertrekken en een boek te schrijven. Haar moeder, een ontevreden actrice, heeft het haar altijd ingepeperd: laat jezelf zien, mensen zonder uitstraling zijn verschrikkelijk, nog erger dan lelijke mensen.

Uitstraling ontwikkelen lukt de hoofdpersoon maar moeilijk. Ze voelt zich verloren in Parijs, want haar schoenen zijn niet elegant genoeg, ze bestelt te aarzelend koffie, raakt niet in gesprek met mensen en ligt te lang op bed. En o ja, ze eet overal te veel mayonaise bij.

Haar vader, een psychiater, raadt haar aan om al haar bezigheden schematisch in te delen, zodat ze het gevoel krijgt dat de dingen ‘behapbaar’ zijn. Maar dan overlijdt haar moeder.

In het hoofdstuk waarin bij de hoofdpersoon het besef doordringt dat haar moeder stervende is, herinnert ze zich opeens dat ze vreselijk scheten kon laten als ze zenuwachtig was of zich in een situatie bevond waar ze niet zomaar uit weg kon lopen. Posthuma schrijft het allemaal droogjes op, en dat werkt: je voelt het ongemak de hele tijd.

‘Deed ik maar iets,’ denkt ze als ze in haar bed naar het plafond staart. Terug uit Parijs komt het goed, soort van. Het beoogde boek komt er niet, maar na een paar mislukte relaties krijgt ze met Arthur, ontwerper van computergames, een kind.

Dit debuut werpt een wrange, maar tegelijk vrolijkmakende vraag op: hoe houden we het als mensen zonder uitstraling in godsnaam toch met elkaar uit?

Door Arjan Reinders