Het handhaven van het ‘boerkaverbod’

In de volksmond hebben we het over een boerkaverbod. Maar het gaat om méér dan een boerka.

Op het dragen van een boerka of nikaab, maar ook op het dragen van een gesloten helm of bivakmuts, staat binnenkort een boete. Maar alleen in een beperkt aantal situaties, de wet heet dan ook ‘Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding’. U leest de hele wet hier, nog geen anderhalf A4-tje.

Hoewel de wet nog niet eens in werking is, is er al tumult. Femke Halsema heeft in haar hoedanigheid van burgemeester van Amsterdam te kennen gegeven dat ze niet zal handhaven. Inmiddels hebben ook Utrecht en Rotterdam aangegeven dat handhaving geen prioriteit heeft.

Er kan een juridisch interessante situatie ontstaan. Stel dat een agent een bekeuring uitdeelt in Amsterdam. Dan handhaaft hij de wet maar gaat tegen de instructie van een meerdere in. Gaat zo’n bekeuring dan direct in de al dan niet digitale versnipperaar?

De verantwoordelijke staatssecretaris geeft direct aan dat er geen sprake kan zijn van een lokale keuzevrijheid: de wet is de wet.

Een wet wordt geacht een probleem op te lossen, althans aan te geven hoe ermee om te gaan als het zich voordoet. Het antwoord op de vraag of een boerka een probleem is, heeft de wetgever beantwoord. Het valt nog niet mee om ergens een goede motivatie te vinden en al helemaal niet als je leest wat deze wet dan wél regelt.

Op 27 januari 2012 stemde het Nederlandse kabinet in met het verbod op het dragen van ‘gezichtsbedekkende kleding’. Op 29 november 2016 stemde de Tweede Kamer in, op 26 juni 2018 de Eerste Kamer. Voor wie belangstelling heeft voor de hele ontstaansgeschiedenis: kijk hier.

 

Het besluit is genomen, ondanks forse kritiek van de Raad van State. De Raad oordeelde dat het verbod in strijd is met de vrijheid van godsdienst en bovendien niet in lijn is met de geldende normen om niet te discrimineren. Daarnaast beschouwt de Raad het verbod als een te zwaar middel.

Middel voor wat, eigenlijk? Er is heel veel voor te zeggen om gezichtsbedekkende kleding te verbieden daar waar het om de uitvoering van openbare taken gaat. Daar zijn al in het algemeen uitingen van religie niet toegestaan. Maar dan ben je in dienst van de overheid. Dit wettelijk verbod gaat over het dragen van kleding die het gezicht geheel bedekt of zodanig bedekt dat alleen de ogen onbedekt zijn, of onherkenbaar maakt, in onderwijsinstellingen, het openbaar vervoer, overheidsinstellingen en zorginstellingen.

Kijkend naar het straatbeeld: er zullen ook voor de gemiddelde lezer van dit stuk nogal wat dagen voorbijgaan zonder ooit met het ‘probleem’ geconfronteerd te worden, in sommige wijken kan het anders zijn. Maar schattingen van het aantal vrouwen dat een boerka draagt – en dan nog niet eens altijd – lopen uiteen van 100 tot maximaal 500. In heel Nederland.

Natuurlijk kun je veronderstellen dat het dragen van een boerka onderdrukking is: door man, familie en/of geloof. Dat is een andere, zinnige discussie die zeker ook gevoerd moet worden. Maar daar gaat deze wet helemaal niet over.

Een wet die de boerka toestaat op het moment dat je bij de bushalte staat maar voorschrijft dat ‘m uitdoet – althans je gezicht onbedekt maakt – als je die bus instapt, da’s toch best raar.