Marlene Dumas: ‘Ik ben 60. Wanneer ga ik nou eens mijn écht goede werk maken?’

Cultuur & Lifestyle - Nieuws & Opinie

0/0000Beeld: Linelle Deunk

Vandaag opent in het Stedelijk Museum de tentoonstelling The image as burden van Marlene Dumas. Opzij sprak deze zomer met haar in aanloop naar deze voorstelling. ‘Zo weinig schilderen is ongezond. En als ik dan wel schilder, ga ik door tot ik naar word’ 


Ieder jaar rond februari gaat Marlene Dumas naar haar familie in Zuid-Afrika. Naar haar twee broers en hun kinderen. Gewoon, tijd met ze doorbrengen. Afgelopen winter viel dat tegen. Ze zat maar te werken en te werken. Niet aan haar kunst. Nee. Ze zat teksten te lezen over haar eigen werk, door anderen en zichzelf geschreven. ‘Mijn broer vroeg, verwonderd, na de zoveelste dag werk: ‘Hoeveel wil je eigenlijk doorspitten?’ Ik reageerde helemaal emotioneel: ‘Waarom doe ik dit ook! Niemand leest mijn teksten! Waarom?’

Al het leeswerk is ter voorbereiding op de grootste Europese tentoonstelling rond haar werk ooit, die in september opent in het Amsterdamse Stedelijk Museum, The image as burden. Daar hoort een catalogus bij. En die schrijft Marlene Dumas zelf. Ze heeft niet zoveel trek in anderen die wéér herhalen waar haar schilderijen volgens hen over gaan. Maar zelf de regie houden is bewerkelijk: de laatste maanden komt ze nauwelijks aan schilderen toe. Dumas: ‘Eigenlijk is het ongezond voor me om zo weinig te schilderen. En als ik dan wel schilder, ga ik door tot ik naar word. Ik kan geen nine to five nie. Maar daarna heb ik dan zo’n onverklaarbare afkeer van mezelf, en van mijn werk. Dat is ook niet normaal toch?’
 
We hebben afgesproken in haar atelier in de Amsterdamse Pijp, een verzameling opgeknapte garageboxen in een doodnormale straat. Dit ‘we hebben afgesproken’ klinkt vrij achteloos, maar er is bijna een jaar aan mails en telefoontjes met een van Dumas studiomanagers, Rudolf Evenhuis, aan voorafgegaan. Er waren bijna-afspraken en bijna-mails: die mails kon ik beter op bepaalde momenten niet sturen, verzekerde Evenhuis me, want dan kon Dumas ze weleens zien, en ‘dat kwam nu niet zo goed uit, dat leidt maar af.’

Dit soort taferelen wil nog wel eens tot volledig dichtgetimmerde, zielloze gesprekken leiden, maar in het geval van Dumas (60) lijkt het een beschermingsmechanisme te zijn. Hoe dichter op de gespreksdatum we komen, hoe enthousiaster en makkelijker Evenhuis klinkt. En Dumas zelf? Zij wil het vooral goed doen - als ze het doet: ‘Ik geef niet vaak interviews omdat ik soms ongewild een cliché van mezelf maak. Ik heb dan de neiging te vertellen wat ik al eerder vertelde – en dat brengt me niet dichter bij mijn werk. Ik wil een interview gebruiken om uit mijn eigen maniërismes te stappen.’

Ze spreekt zangerig. Haar Zuidafrikaanse roots – Dumas kwam in 1976 naar Nederland om aan Ateliers 63 te studeren - verraden zich vooral in de dubbele ontkenning die ze vaak gebruikt. Haar onregelmatige zinnen bevatten vaak een Engelse term, en vrij weinig pauzes. Dumas: ‘Vaak schrijven mensen elkaar zo na. Dan heb ik een journalist gesproken…  ai ai ai dit mag ik natuurlijk niet zeggen… maar dan lees ik het resultaat en dan denk ik: tsjonge, kun je niet wat originelers bedenken? Probeer eens iets anders dan het beeld te bevestigen dat er al is. Moet ik weer lezen dat mijn handen flapperen als ik praat en geen zin afmaak en nu ja, ik ben “een waterval van woorden…” Ik kan die woorden niet meer zien nie. Misschien kunnen wij een rustig interview doen, een ander beeld maken? Volgens mij word ik wel rustig van jou.’
Voor de goede orde: bij dezen teken ik naar eer en geweten op dat Marlene Dumas op vrijdagmiddag 16 mei 2014 geen handen door haar haar haalde, regelmatig terugkwam op haar woorden om een gedachte af te maken, het merendeel van ons urenlange gesprek rustig op een bureaustoel aan haar bureau zat – tenzij ze iets wilde laten zien – en me zegt dat ik haar mag tutoyeren. Haar dochter Helena, begin 20 (‘Hi Snorkel, ’ groet Dumas haar) komt halverwege het gesprek even langs, met Sauvignon blanc.
 
Je maakt het jezelf niet makkelijk, qua werk voor het Stedelijk.
‘Nee, niet echt hè… Dan zeggen ze: “Het hoeft jou geen tijd te kosten.” Sorry? Ik wil toch dat zo’n catalogus mooi wordt? En zal ik je eens wat zeggen: ik vind kunstcatalogi vaak heel lelijk. Terwijl ik een boek een prachtig iets vind. Omdat je het kunt vasthouden, je kunt erin bladeren, je kunt ermee in bed klimmen...’
 
Beeld: Linelle Deunk

Beeld: Linelle Deunk

Je bent Marlene Dumas. Je hoeft die catalogus niet helemaal zelf schrijven.
‘Maar ik houd van schrijven! Omdat je dan rustig kunt proberen te kijken naar wat je nu eigenlijk wilt zeggen. In mijn schilderijen geef ik meestal een gevoel weer; mijn teksten staan daar nooit zomaar bij. En ik ben in mijn leven vaak tot werken gekomen door een mooie zin die je aan het denken zet.’

Ze pakt er een boek bij van de Franse filosoof Julia Kristeva. Op de pagina’s staan overal pijlen en onderstrepingen die Dumas toevoegde. ‘Ik heb eens de door Hans Holbein geschilderde dode Christus gezien. Kristeva beschrijft in dit boekje wat een eenzame dode man Christus hier is, en dat doet ze heel mooi. Hier (Dumas leest voor): ‘“Some people might loose their faith by looking at this picture”. Als ik dat lees, denk ik: ah, zij beschrijft het zoals ik dit schilderij ook ervaren heb, maar ik had er niet de woorden voor. Dat kan ik dan zo indringend vinden. Wat ik probeer te zeggen, is dat ik veel heb aan boeken, om inzicht te krijgen in wat ik zie en ik zou willen dat ik dat een ander ook kan bieden.’
 
Achter, grenzend aan de tuin in het lichte gedeelte van het atelier, liggen op een stapel de Great Men die Dumas schilderde en die binnenkort in Sint Petersburg te zien zijn tijdens Manifesta 10. ‘Eigenlijk wilde ik niet meedoen aan Manifesta. Gewoon, vanwege alles wat ik voor het Stedelijk moet doen. Dus mijn eerste reactie was: nee. Dat is vaak mijn eerste reactie. Misschien is het heel vrouwelijk, maar ik denk dan dat ik het niet aankan en ik wilde ook helemaal niet denken aan de problematiek van Rusland en van wat ik vind van een kunstexpositie daar. Ik dacht: ik heb er lekker niets mee te maken, houden zo! Maar toen werd ik uitgenodigd. Wow, shit. Ik heb ooit samen met Jolie van Leeuwen, de andere studiomanager, geholpen de Manifesta in Rotterdam op te zetten, als een ander soort Biënnale. Dus weigeren vond ik niet kunnen. En ik dacht direct daarna: mensen moeten gewoon moed blijven hebben om dingen te doen.’

Ze toont een de portretten van internationale Grote Mannen, allen homoseksueel. Het is Dumas’ manier om zich uit te spreken tegen het beleid van Poetin, op Russische grond. ‘Ik heb nooit begrepen waarom je je zou moeten bemoeien met andermans liefdesleven.’ Ze schilderde, onder andere, auteur James Baldwin, wiskundige Alan Turing, auteur Tennessee Williams. En de dansers Vaslav Nijinsky en Rudolf Noerejev, impresario Sergej Diaghilev, componist Pjotr Tsjaikovsky. Ze staat op, schopt met haar benen. ‘Ik vind dansers zo prachtig, maar ik kan zelf alleen maar met mijn beentjes zo, als Janis Joplin.’
 
Moedig, deze portretten.
‘Barnett Newman, die was moedig. Toen hij zijn eerste tentoonstelling had, met alleen die doeken en die enorme hoeveelheid kleur en het publiek dat dacht: wat is da-hat? Geweldig! Weet je, ik vind dat je tegenwoordig als je een politiek onderwerp kiest voor je kunst al snel moedig genoemd wordt. Ik weet het niet hoor, ik zit hier vrij veilig in mijn Amsterdamse atelier. Ken je de Zuid-Afrikaanse Zanele Muholi? Zij maakt veel foto’s van lesbische vrouwen - ze is zelf ook lesbisch. Zij woont in Zuid-Afrika, ze wordt bedreigd, vrouwen als zij worden vermoord in de townships. Ze loopt een direct en concreet gevaar door te maken wat ze maakt en toch doet ze het. Dat is moedig.’
 
Heb je deze serie bewust karig gehouden?
‘Ik houd wel van simpel. Zeker in tekeningen. Ik probeer het in één keer in een gevoel op papier te krijgen. Die concentratie moet er zijn. In principe ben ik dan in 10, 15 minuten klaar, dan moet het staan. Ik kies voor brede thema’s: lichaamstaal, liefde, seks, geweld. Uiteindelijk gaat al mijn werk daarover. Toen ik besloten had deze serie te maken, schrok ik ervan wat een vreselijke verhalen er zijn. Erger dan ik besefte. Die Alan Turing! Zo naar. Die man was een briljant wiskundige, hij heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog Duitse codes voor de Britten gekraakt, maar uiteindelijk mocht zijn geaardheid niet en moest hij zich chemisch laten castreren.’
 
De eerste werken waarmee Dumas begin jaren tachtig doorbreekt, een soort collages, staan ver af van de figuratieve schilderijen die ze nu maakt, die, zoals ze zelf omschrijft, hun kracht ontlenen aan ‘de kunst van het weglaten’. Dumas: ‘Ik legde toen veel meer nadruk op het expressieve gebaar. Ik was letterlijk heel droevig toen ik Lovers ain’t got anything to do with it maakte, begin jaren tachtig. In 2007 heb ik, veel illustratiever, huilende vrouwen geschilderd. Meer als een uitdaging, om te kijken of je een schilderij kunt maken van zo’n kitsch gegeven.’
 
Heeft het verschil in werkwijze niet ook ‘gewoon’ te maken met het vinden van je vorm en met beter weten wat je wilt?
‘Daar moet ik van glimlachen. Eigenlijk niet, wil ik zeggen! Want iedere keer dat ik een tentoonstelling maak, denk ik: was dit nu het enige dat je kon doen in dit stadium van je leven? Soms mis ik aspecten van mijn vroegere werk, maar ik kan niet meer teruggaan.’
 
Wat mis je dan?
‘Toen ik op de kunstacademie kwam, wilde ik iets maken dat er heel anders uit zag. Ik wilde een moderne kunstenaar zijn. Figuratieve schilderijen vond ik… normaal. Het probleem met realistischer beelden is dat je ze opslaat in je bewustzijn, ergens. Voor ik naar Nederland kwam, schoot de politie in Zuid-Afrika veel mensen dood. Je zag daar in kranten weinig van: afstandelijk beeld, met een onderschrift. Toen ik jong was dacht ik nog: het Westen, Europa, is veel verfijnder. Zij zijn tolerant, discrimineren niet, ik ging ervan uit dat dit naarmate ik ouder zou worden alleen maar beter werd. Nu zien we alles in het nieuws. Massagraven, de dode zoon van Saddam. Ik weet dat het elders niet anders is. Ik ben dat onschuldiger beeld van vroeger kwijt, simpelweg door ouder te worden.

Dat is een beetje wat ik bedoel met The image as burden: ik heb een tijdje dunne mensen geschilderd en ik merkte dat dat bij anderen een onbewust collectief beeld aanspreekt, dat het mensen aan de holocaust doet denken terwijl het daar niet op geïnspireerd was.
Soms denk ik: ik wil al die kranten en beelden die ik ter inspiratie bewaar, weggooien, ik moet puur beginnen. Maar dat kan natuurlijk niet, ik ben onderdeel van de geschiedenis, ik weet wat ik weet. Soms denk ik aan kunstenaar Bas Jan Ader: die stapte in zijn bootje en verdween in de oceaan. Dat vind ik dan opeens zo’n romantisch beeld. Of Jack Nicholson die aan het einde van Five Easy Pieces denkt: bekijk het maar.’
 
Heb je soms het gevoel dat je vastzit?
‘Ja, dat denk ik weleens. Ik ben nu 60 en denk nog steeds: wanneer ga ik nu mijn echt goede werk eens maken? Maar ik word óók verkeerd begrepen. Er wordt te veel aandacht gegeven aan dat archief van beelden van mij, bijvoorbeeld.’ (Vrijwel altijd wordt in artikelen met en over Dumas het beeldarchief van de kunstenaar aangehaald; een verzameling uitgeknipte plaatjes waar ze menigmaal een werk op baseerde, FvW.) ‘Kijk, ik leef samen met iemand met een groot historisch geheugen. Als je zo’n brein hebt, heb je geen archief nodig. Maar ik denk niet lineair, ik denk via beelden, woorden zijn voor mij ook beelden, en daarom is het handig iets tastbaars te bewaren. Soms denk ik aan toneelschrijver Arthur Miller. Na Marilyn Monroe’s dood werd hem gevraagd: hoe was jullie relatie dan? Ze was geen lezer, maar zat wel met schrijver James Joyce aan tafel. Miller sprak heel mooi over haar. Hij zei iets als: “Ze was iemand die probeerde een soort heelheid te vinden.” Hij probeerde dat in zijn teksten te leggen. Ikzelf wil graag mijn leven begrijpen, vanuit al de dingen die me interesseren en hoe ze interlocken. En dat verband vind ik makkelijker als ik me overal mee bemoei.’
 
 
Wanneer is een schilderij af, wanneer vind je iets goed?
‘Ik heb aldoor tegen Manifesta gezegd: “Dit is wat ik ga doen”. Maar op een gegeven moment werd er gezegd: “We hebben nog niets gezien”. Mijn eerste tekening vond ik niets. James Baldwin vind ik wel erg mooi. Alan Turing vind ik “mwah”. Sommige tekeningen vind ik niet zo goed, maar dat laat ik dan maar zo, daar kan ik wel wat ontroering in vinden. Ik hou van werken waar een zekere eenvoud in zit. Ik hou ervan als iets in één gebaar erop kan staan. Uiteindelijk moet er een eerlijkheid zijn. Een schilderij maken, is voor mij een lichamelijk bewegen. Ik maak nooit voorschetsen. Ik hou ervan als het schilderij ontstaat op het doek, het maken is eigenlijk een soort performance.’
 
Daarmee impliceer je dat je het resultaat accepteert, ook als dat niet ideaal is.
‘Ik heb geen ideaal. Ik ben blij met een zekere verrassing. Als een tekening een soort eigen leven gaat leiden, daar houd ik van. Ik ben wel zo dat ik soms dingen laat gaan. Binnen de Great Men zeker. Als ik zou zeggen: ik neem alleen de beste tekeningen mee naar Sint Petersburg, dan blijft er maar één over! Het gaat niet om perfectie. Ik wil iets uitdragen, dan vind ik het niet zo erg dat er een kwalitatief verschil is.’
 
The image as burden is van 6 september 2014 tot 4 januari 2015 te zien in het Stedelijk Museum, www.stedelijk.nl
 

Door Femke van Wiggen / 05-09-2014


Tijdelijke aanbieding
OPZIJ TOP 100
Aanmelden Nieuwsbrief
Elke week de nieuwste OPZIJ-artikelen in je mailbox? Meld je hier aan voor de gratis nieuwsbrief.