Home Nieuws Column Annemarie Oster herinnert zich een gênant liefdesavontuur: Giorgio

Column Annemarie Oster herinnert zich een gênant liefdesavontuur: Giorgio

258
0
DELEN

Een hoogzomervakantie op het Lido van Venetië. 1958. Toegegeven, dit is een verhaal uit de oude doos en zelf ben ik er inmiddels ook een, maar ik herinner me mijn gênante liefdesavontuur nog als de dag van gisteren. Gênant ja. Zelfs in retrospectief bloos ik tot diep in mijn decolleté. Eigenlijk doe ik deze bekentenis liever niet, maar lieverkoekjes worden na je zeventigste niet gebakken.

Mijn moeder en stiefvader die – jaren later volgens mijn eenmaal van hem gescheiden moeder – mij ‘altijd onderduwde in zee’, hielden vakantie op het Lido. Daar hadden de toenmalige tortelduiven een hotelsuite betrokken. Niet in het peperdure Les Bains waar illustere historische figuren als Thomas Mann, Dirk Bogarde en Harry Mulisch plachten te bivakkeren, maar in een onderkomen dat, meen ik, Helvetia heette.

Jaren later heb ik, met mijn laatste echtgenoot op Venetië-bezoek, nog naar dat Helvetia gezocht, maar tevergeefs. Het was alsof het hotel (met démi pension zodat ik meer pasta kreeg voorgeschoteld dan goed was voor mijn tienergestalte) door de aarde was opgeslokt. Maar in mijn herinnering staat het er nog als een huis. Vooral het slaapkamertje op de bovenste etage!

De laatste week die mijn moeder en haar man er verbleven, mocht ik – zo vanuit school met een vliegmachine – komen logeren. In een eigen kamer. Met balkon. Daarna zouden we gedrieën per auto terugkeren naar huis.

Tot dan toe hadden we altijd met zijn vijven vakantie in het buitenland gevierd. Met mijn vader en zijn vrouw erbij. Maar voor die gezamenlijke tripjes was ik, als enig kind van de partij, eerst te jong en daarna te oud. Na braaf te hebben gelachen om de competitieve grapjes van de mannen, mijn zoveelste ijsje te hebben opgelepeld en het zwembad uit te zijn gedropen, zat ik erbij en keek ernaar. Waren die volwassenen wel zo gelukkig als ze er uit zagen? Onder hun smalltalk lag subtekst op de loer. Vaak had ik buikpijn; van al dat ijs natuurlijk.

Aan deze reünies kwam een abrupt einde. Waarschijnlijk doordat mijn stiefvader mijn stiefmoeder iets te veel complimentjes maakte.

Dus zou ik dit jaar, zodra ik vrij was van school, op het Venetiaanse vliegveld worden opgewacht door maar één echtpaar van wie de vrouwelijke helft de liefste van de hele wereld was.

Hoewel… Speelde zij tot voor kort de hoofdrol in mijn leven, nu was ik aan de beurt. Ik was zestien; de aard lag open: roken, drinken, jongens. Nog voel ik mezelf de vliegtuigtrap beklimmen en weer afdalen, met verende tred en een wereldreizigstersgezicht. Ik zou de wereld en dat Lido eens wat laten zien!

Vóór mijn komst was er in het hotel, zo hoorde ik – ook weer jaren later van mijn moeder – van alles gaande geweest. Zij en haar man waren ogen te kort gekomen bij het gadeslaan van de medegasten. Vooral de jonge Italiaanse vrouwen van wie de kostwinner alleen het weekeinde overkwam, hadden hun lacherige belangstelling. De rest van de week werden deze dames benaderd door een potig kereltje dat het hotel in- en uitliep (en en passant ettelijke kamers). Kennelijk was deze Giorgio, zo heette hij, een goede bekende of zelfs een familielid van

de eigenaar en kon hij zich het een en ander permitteren.
“Maar,” aldus mijn moeder huiverend bij de herinnering, “toen jij in aantocht was, verging me het lachen: O Jezus, dalijk komt mijn dochtertje..!”

Ze kreeg gelijk. Al de tweede dag van mijn verblijf schoof Giorgio naast me op het strand en de namiddag daarop maakten we een wandeling langs de kust. De brakke geur van het lagunewater mengde zich met die van zijn door absint en sigaretten doortrokken mannenadem.

De nacht voor ons vertrek zocht hij me op. Via het gemeenschappelijke dakterras was hij op mijn balkon geklommen en onder de jaloezieën door gedoken.

Dankzij een kort handgemeen wist ik penetratie te voorkomen. Maar geen nood: soepeltjes ging mijn aanbidder over tot datgene waarin Herman Brusselmans zo bedreven schijnt te zijn. Zelden ben ik zo geschrokken. En de volgende ochtend weer.

“Schatje, opstaan, we gaan zo weg!” Ook mijn nachtelijke bezoeker had de ferme stem gehoord. Als een haas hees hij zich in zijn broek zodat mijn moeder op de gang de sleutelbos kon horen rammelen. Althans, dat vreesde ik.
En daarom vond ik het nodig – stommerd die ik was – vanaf de achterbank in de auto alles te vertellen. Want ongetwijfeld was mijn stiefvader (die zich na mijn bekentenis de hele rit in een besmuikt zwijgen hulde) door mijn moeder ingelicht! Man en vrouw waren immers één!
“Natuurlijk niet,” riep ze – later – lachend uit. “Ik keek wel uit. Ik schrok me dood toen je het opeens dacht op te moeten biechten.”
“En die sleutels, had je die gehoord?” “Natuurlijk! Ik dacht nog: Gelukkig dat ze het van een Italiaantje heeft geleerd!” Nou ja, geleerd…