Carry Slee is nog lang niet uitgeschreven

(c) Keke Keukelaar

Spijt, Afblijven en Juf Braaksel. Wie heeft de boeken van Carry Slee als kind niet gelezen of leest ze nu voor aan het nageslacht? Naast al die kinderboeken schrijft ze ook romans voor volwassenen. Haar laatste boek is Zijn Jongen, een autobiografische roman over haar traumatische jeugd. En voorlopig is ze nog niet uitgeschreven. “Ik heb mijn oren altijd open.”

DOOR MARLEEN HOGENDOORN

Het gaat goed met haar, glimlacht Carry Slee vanaf de bank in haar tijdelijke woning in Bergen. “Mijn boek is net af, en dat moment is altijd heel fijn.” Haar huis wordt momenteel gerenoveerd en dus is ze met haar partner Elles voor een paar maanden verhuisd. “Het is even behelpen, zonder je eigen spullen”, vertelt ze, maar dan kijkt ze naar de boekenkast en vervolgt: “Mijn boeken zijn natuurlijk wel mee.” En dat zijn er veel. Hoeveel weet ze niet precies meer, maar ze schat dat het aantal boeken van haar hand nu rond de honderd ligt. Haar laatste boek Zijn Jongen is net uit. Net als Moederkruid (2001) en Dochter van Eva (2002) vertelt dit boek over haar nogal traumatische jeugd. Vader Slee overlijdt plotseling en terwijl ze naar haar moeder rijdt, blikt ze terug op haar kinderjaren.

Ze werd overigens door Özcan Akyol geïnspireerd tot het schrijven van dit boek. In zijn programma De Geknipte Gast vroeg hij of ze van haar vader hield. “Op die vraag kon ik geen antwoord geven. Dat vond ik heel vervelend. Met die vraag ging ik naar huis. Ik moet erachter komen, want nu kan ik geen ‘ja’ of ‘nee’ zeggen. Dus ik ging dit boek schrijven en dan zou ik er vanzelf achter komen. Mijn zus moest het wel goed vinden dat ik dit verhaal vertelde. Als ze het niet had gewild, dan was dit boek er niet gekomen.”

Elke dag als ik uit school kwam en mama de deur opendeed, hield ik mijn adem in. Zou mama hebben gehuild? Die dag waren haar ogen niet rood. Ik hoefde me geen zorgen om mama te maken. En dan kreeg ik ook geen buikpijn.

Je boek greep me erg aan. Je had een depressieve moeder, je ouders maakten veel ruzie, je vader had zijn eigen trauma’s en ging vreemd. En jij probeerde je moeder tevergeefs te helpen. Kon je wel kind zijn?

“Ik speelde veel buiten en dat vond ik fijn, dus in die zin ben ik wel kind geweest. Ik verzon vaak verhaaltjes voor mijn knuffels, het was een manier om te ontsnappen aan de situatie thuis. Ik was wel een kind dat wijzer was dan de andere kinderen uit de klas, dat hoorde ik van volwassenen die ik dan later tegenkwam. Ik kon goed praten en goed luisteren.”

Je vader noemde je ‘zijn jongen’. Hij wilde het liefst een zoon en deed alsof je dat was. Totdat je ongesteld werd.

“Hij werd er toen mee geconfronteerd dat ik echt een meisje was, en wist daar niet goed mee om te gaan. Ik denk dat het met zijn verleden te maken heeft, hij had een traumatische jeugd. Zijn moeder stierf op jonge leeftijd, hij werd naar een weeshuis gestuurd toen zijn vader een andere vrouw kreeg en werd gepest. Ik denk dat hij toen om zichzelf staande te gaan houden is gaan fantaseren over hoe het later moest zijn. En daar hield hij zich aan vast, dat was sterker dan de realiteit onder ogen komen.”

Je voelde je ook echt een jongen.

“Ik was jongensachtig, anders had hij dat ook niet gedaan. Ik voelde me ook anders. Ik stond vaak voor de spiegel, deed mijn kraag omhoog en maakte een kuif. Toen ik volwassen werd, is dat gevoel weggegaan. Ik voel me niet supervrouwelijk, maar ook geen man. Ik zit er tussenin. Maar ik ben wel weer een moeder.”

Dat jij zijn jongen was, zorgde ook voor een band tussen jullie. En toen was dat opeens weer weg.

“Toen stond ik met lege handen. Ik weet nog wel dat dat heel moeilijk was. Het was voor mij toen zoeken. Het gevoel dat er geen veiligheid was, en niks om je aan vast te houden.”

Kwam tijdens het schrijfproces alles van vroeger weer naar boven?  

“Het was wel emotioneel. Ik heb er af en toe ook de humor van gezien. Dan dacht ik: dit is toch te gek voor woorden? En dan schreef ik het gewoon op. Maar ik heb ook wel echt moeten huilen. Die situatie was heel tragisch. Ze hadden allebei ook lieve kanten, je wil niet dat je dierbaren zo geleden hebben en ongelukkig waren. Dat kan ik niet wegnemen, ondanks dat ik een heel mooi leven heb gekregen. Het blijft een verdrietig iets. Ik ben inmiddels 74 en het is lang geleden gebeurd. Ik heb het een plek kunnen geven.”

Verder lezen? Het hele interview lees je in de nieuwste Opzij. Een abonnement is zo gepiept. Nergens aan vastzitten? Lees dit nummer fysiek of digitaal via onze site of via Blendle