Waarom hebben we massaal burn-outs?

Door: Luuke Raaijmakers

In Nederland ervaart één op de vijf werkenden burn-outklachten. Bij vrouwen liggen die cijfers nog hoger: 23,5 procent van de vrouwelijke werknemers kampt ermee, tegenover 18 procent van de mannen. Vrijwel iedereen kent inmiddels wel iemand die “er even uit ligt”. Of is het zelf. Het stijgende aantal burn-outs fascineert me. Blijkbaar put iets ons collectief uit, zonder dat we de oorzaak echt aanpakken. Maar wat? En waarom lijken vrouwen steeds nét iets harder geraakt te worden?

Een deel van het antwoord kennen we inmiddels. We leven in een prestatiemaatschappij waarin productiviteit ongeveer dezelfde status heeft gekregen als vroeger deugdzaamheid. Druk zijn is een karaktereigenschap geworden. Tel voor de grap maar eens hoe vaak mensen “druk” antwoorden op de vraag hoe het gaat. Het is zelden een klacht. Eerder een subtiele manier om te zeggen: kijk mij eens belangrijk zijn.

Dat is eigenlijk best bijzonder. Nog geen honderd jaar geleden verwachtten economen precies het tegenovergestelde. De Britse econoom John Maynard Keynes voorspelde in 1930 dat technologische vooruitgang ervoor zou zorgen dat we in de eenentwintigste eeuw nog maar vijftien uur per week hoefden te werken. Machines zouden ons bevrijden van arbeid en het grote maatschappelijke probleem zou worden dat mensen niet wisten wat ze met al hun vrije tijd moesten doen.

Ik had die crisis graag een keer meegemaakt. In plaats daarvan gebeurde bijna het omgekeerde. Dankzij technologie kunnen we overal werken, dus doen we dat ook. De laptop ging mee op vakantie, de smartphone veranderde in een kantoor dat permanent in onze broekzak zit en zelfs tijdens het tandenpoetsen lukt het ons nog om drie e-mails, twee WhatsApp-gesprekken en een Instagram Reel weg te werken. Technologie heeft ons leven efficiënter gemaakt, maar niet rustiger.

Volgens de Amerikaanse journalist Derek Thompson zijn we zelfs iets veel fundamentelers gaan geloven: dat werk niet alleen is wat we doen, maar wie we zijn. Hij noemt dat workism. Een baan moet tegenwoordig niet alleen de huur betalen, maar ook zingeving geven, onze identiteit bevestigen, ons gelukkig maken én het liefst de wereld een beetje verbeteren. Geen wonder dat een vrije avond al snel voelt alsof je iets vergeet.

Voor vrouwen komt daar nog een extra laag bovenop. In heteroseksuele relaties blijkt het grootste deel van de onzichtbare organisatie van het gezinsleven nog steeds verrassend vaak op het bord van vrouwen terecht te komen. Sociologen noemen dat de mental load: niet alleen de kinderen naar de tandarts brengen, maar onthouden dát er een afspraak gemaakt moet worden. Niet alleen koken, maar bedenken wat iedereen de hele week eet, controleren of de melk bijna op is en onthouden dat er vrijdag een traktatie mee moet naar school.

Daarnaast werken vrouwen relatief vaak in sectoren waar personeelstekorten inmiddels bijna een verdienmodel lijken: de zorg, het onderwijs en de kinderopvang. Beroepen waarin je daarnaast vaak ook niet alleen fysiek moe wordt, maar ook emotioneel voortdurend beschikbaar moet zijn. Je batterij loopt leeg terwijl je glimlach verplicht opgeladen blijft. En dan zijn er nog de eigenschappen die veel meisjes al vroeg meekrijgen. Zorgzaam zijn. Niet moeilijk doen. Alles goed willen doen. Rekening houden met anderen. Moeite hebben met nee zeggen. Prachtige eigenschappen, totdat je ontdekt dat ze ook precies de ingrediënten zijn voor chronische overbelasting.

Toch bekruipt me het gevoel dat er nóg iets speelt. Iets waarvoor je moeilijk een grafiek kunt tekenen. Laatst zat ik, zoals wel vaker, op een bankje bij een vijver. Er zwommen vier ganzen die ik inmiddels bijna persoonlijk ken. Ze wonen daar al ruim een jaar. Hun dagen zijn overzichtelijk. Ze slapen. Ze poetsen hun veren. Ze eten. Ze zwemmen een rondje. Soms maken ze ruzie met de meerkoetjes, maar zelfs dat lijkt behoorlijk stress-vrij te zijn.

 Terwijl ik naar ze keek dacht ik eerst: wat een ongelooflijk saai bestaan. Vijf minuten later dacht ik precies het tegenovergestelde. Misschien zijn die ganzen helemaal niet saai. Misschien zijn wij krankzinnig geworden. Want wat die ganzen op mij voor hebben, is niet intelligentie of ambitie. Het is aandacht. Ze doen één ding tegelijk. Ze eten als ze eten. Ze rusten als ze rusten. Ze zwemmen als ze zwemmen. Ze zijn niet ondertussen bezig met een boodschappenlijstje, een Teams-vergadering, de belastingaangifte, een podcast over zelfontwikkeling en de vraag of ze eigenlijk nog wel genoeg eiwitten binnenkrijgen. Ga voor de grap eens na wanneer jij voor het laatst nog maar één ding tegelijk deed. Echt één ding. Wandelen zonder podcast. Koffie drinken zonder je telefoon. In een park zitten zonder na drie minuten automatisch een scherm te pakken.

Psychologen noemen het attention residue: telkens wanneer je van taak wisselt, blijft een stukje van je aandacht achter bij de vorige bezigheid. Je brein sleept voortdurend kleine restjes onafgemaakte taken met zich mee. Misschien voelen we ons daarom niet alleen moe van wat we doen, maar vooral van alles wat tegelijkertijd in ons hoofd blijft rondzingen.

Het is zowel treurig als ironisch. We hebben technologie ontwikkeld om tijd te besparen. Vervolgens hebben we die tijd onmiddellijk weer gevuld met meer werk, meer verwachtingen en meer zelfoptimalisatie. Alsof efficiëntie nooit bedoeld was om ons meer rust te geven, maar alleen om nog meer in één dag te proppen.Misschien zouden we daarom af en toe wat minder op succesvolle professionals moeten lijken en iets meer op die ganzen bij de vijver. Niet omdat ganzen de zin van het leven hebben ontdekt. Maar omdat ze iets doen wat wij slecht zijn gaan kunnen. Ze vinden het blijkbaar geen enkel probleem om gewoon een gans te zijn.

Klik hier om het laatste nummer van Opzij te bestellen: ‘Ik ben geen man!’