Waarom wordt moederen zo door je strot geduwd?
Door: Luuke Raaijmakers
Anna Nooshin heeft een boek geschreven over het moederschap. Je Moeder heet het, en de interviews die erop volgden waren minstens zo interessant als het boek zelf. Niet omdat Nooshin vertelde dat het moederschap zwaar is – dat weten de meeste moeders allang – maar omdat ze het hardop durfde te zeggen. Alsof eerlijk toegeven dat je de zwaarste baan ter wereld soms helemaal niet leuk vindt, nog altijd radicaler is dan besluiten een kind op de wereld te zetten.
Nooshin staat niet alleen. De afgelopen jaren verschenen steeds meer boeken van vrouwen die de glans van het moederschap afkrabben. Liesbeth Rasker schreef over haar kinderloze leven. Documentaires onderzoeken waarom steeds meer vrouwen twijfelen of ze überhaupt moeder willen worden. En toch blijft de boodschap vanuit de maatschappij constant. AD-columnist Angela de Jong schreef onlangs zelfs een open brief aan jongeren: “Ga alsjeblieft kinderen maken.” Dat fascineert me. Want waarom eigenlijk?
Wie als vrouw zegt geen kinderen te willen, krijgt zelden de reactie: “Wat leuk dat je zo goed weet wat je wilt.” Nee, de standaardantwoorden zijn voorspelbaar. Je verandert nog wel van gedachten. Je biologische klok gaat vanzelf tikken. Je mist straks de grootste liefde die er bestaat. Alsof een vrouw zonder kinderwens niet zozeer een andere keuze maakt, maar in een rebelse fase zit waar ze nog wel uit gaat groeien (en spijt van gaat krijgen).
Dat heeft een naam: pronatalisme. Sociologen gebruiken die term voor de maatschappelijke overtuiging dat volwassenheid uiteindelijk uitmondt in ouderschap. Vooral voor vrouwen. Uit onderzoek blijkt dat vrouwen zonder kinderen vaker worden gezien als egoïstisch, minder warm en zelfs minder vrouwelijk dan moeders. Het moederschap is niet zomaar een levensfase; het is cultureel uitgegroeid tot hét bewijs van geslaagde vrouwelijkheid. Die afkeuring geldt trouwens sterker voor vrouwen dan voor mannen. Blijkbaar vinden we een man zonder kinderen iemand die een keuze maakt, maar een vrouw zonder kinderen iemand die afwijkt van haar bestemming. Dat is deels historisch gezien wel te verklaren: eeuwenlang was moederschap ongeveer de enige maatschappelijk geaccepteerde rol voor vrouwen. Wie geen moeder werd, had weinig alternatieven. Inmiddels kunnen vrouwen studeren, carrière maken, reizen, boeken schrijven, bedrijven beginnen of gewoon gelukkig zijn met een kat en een abonnement op de bioscoop. Maar culturele verwachtingen veranderen aanzienlijk langzamer dan wetten.
Overigens krijg je geen spontane goedkeuring zodra je kinderen hebt: zodra een vrouw wél moeder wordt, gebeurt er iets vreemds. Dan houdt de bewondering ineens op. Socioloog Sharon Hays beschreef dit al in 1996 als intensive mothering: het idee dat een goede moeder permanent beschikbaar hoort te zijn. Ze moet biologisch koken, schermtijd beperken, educatieve spelletjes verzinnen, werken alsof ze geen kinderen heeft en moederen alsof ze geen baan heeft. De afgelopen dertig jaar is die norm alleen maar sterker geworden. Recent onderzoek laat zelfs zien dat hoe sterker mensen deze norm onderschrijven, hoe negatiever ze oordelen over vrouwen die bewust geen kinderen willen.
Daar komt nog iets bij. Vrijwel alle rijke landen kampen met dalende geboortecijfers. Nederland zit al jaren onder het vervangingsniveau van ongeveer 2,1 kinderen per vrouw. In Zuid-Korea ligt het vruchtbaarheidscijfer zelfs onder de één. Economen maken zich zorgen over vergrijzing, personeelstekorten en de betaalbaarheid van pensioenen. Dat zijn reële problemen. Maar gek genoeg vertaalt die maatschappelijke paniek zich vaak naar individuele vrouwen. Alsof de oplossing voor een vastgelopen woningmarkt, torenhoge kinderopvangkosten, een burn-outepidemie en economische onzekerheid vooral bestaat uit vrouwen die “gewoon” meer baby’s krijgen.\ Dat voelt een beetje alsof je een lekke boot repareert door de passagiers te vragen harder te roeien.
Uit onderzoek blijkt namelijk dat veel jonge mensen helemaal niet principieel tegen kinderen zijn. Ze stellen het uit omdat huizen onbetaalbaar zijn, omdat vaste contracten schaarser worden, omdat mentale klachten toenemen en omdat ouderschap steeds intensiever is geworden. Waar kinderen vroeger meedraaiden in het gezin, draaien gezinnen tegenwoordig volledig om kinderen. Sociologen spreken zelfs van intensive parenting: het idee dat goede ouders permanent beschikbaar zijn, voortdurend stimuleren, koken, plannen, begeleiden en zich ondertussen schuldig voelen dat ze niet nóg meer doen.
Misschien moeten we dus stoppen met vrouwen vragen waarom ze geen kinderen willen en beginnen met de vraag waarom zoveel mensen denken dat het ouderschap tegenwoordig nauwelijks nog te combineren is met een prettig leven.
En misschien moeten we nog een andere ongemakkelijke vraag durven stellen. Waarom voelt een vrouw zich vaak pas “compleet” als ze moeder wordt, terwijl dezelfde maatschappij moeders vervolgens afrekent op elk aspect van dat moederschap? Ze moet kinderen krijgen, maar niet te laat. Ambitie hebben, maar niet té veel werken. Een betrokken moeder zijn, maar ook aantrekkelijk blijven. Mannen blijken bovendien opvallend vaak enthousiast over vrouwen mét een kinderwens, terwijl onderzoek naar datingvoorkeuren laat zien dat alleenstaande moeders juist minder vaak als romantische partner worden gekozen. Blijkbaar vinden we het idee van het moederschap aantrekkelijker dan de moeder zelf.
Die hele vraag waarom vrouwen ‘ineens’ geen kinderen meer vragen is dus eigenlijk niet zo moeilijk te beantwoorden. Een veel interessantere vraag is waarom we zoveel energie steken in het beoordelen van de keuzes van vrouwen. Helemaal aangezien die beoordeling zelden tot nooit positief is. Misschien zijn we helemaal niet zo dol op moeders. Misschien zijn we vooral dol op het idee dat vrouwen moeder worden. Dat lijkt me een aanzienlijk betere reden om ons zorgen over te maken dan het geboortecijfer.