Sophie Straat mist de steun van ‘linkse’ groepen: terecht?
Door: Luuke Raaijmakers
“Witte mannen, naar achteren!” Met die woorden zette zangeres Sophie Straat tijdens het festival Best Kept Secret een moshpit in gang die uiteindelijk veel groter werd dan ze waarschijnlijk had voorzien. Vrouwen, queer personen en mensen van kleur mochten naar voren komen. Witte mannen moesten plaatsmaken. Niet veel later stroomden haar sociale media vol met seksistische opmerkingen en zelfs doodsbedreigingen. Deze week schreef ze dat ze vooral één ding mist: solidariteit. Niet alleen van fans, maar ook van de linkse muziekwereld en progressieve media. Volgens haar bleef het oorverdovend stil.
Laat één ding glashelder zijn: niemand verdient doodsbedreigingen. Ook niet als je iets zegt dat mensen beledigend, polariserend of dom vinden. Dat zou eigenlijk de makkelijkste morele afspraak van Nederland moeten zijn. Maar juist omdat die afspraak zo eenvoudig is, roept Sophies tweede punt een interessantere vraag op: heeft links ook de plicht om haar actie te verdedigen? Ik denk van niet.
Dat is misschien een hard statement, zeker omdat progressieve bewegingen vaak draaien om solidariteit. Maar solidariteit is iets anders dan onvoorwaardelijke instemming. Je kunt het doel delen zonder de methode goed te vinden. Sophie Straat wilde met haar actie een ervaring omdraaien die veel vrouwen op festivals herkennen. Wie ooit vooraan heeft gestaan bij een stevige band weet hoe snel je als vrouw letterlijk naar achteren wordt gebeukt. Onderzoek laat al jaren zien dat vrouwen op festivals relatief vaak te maken krijgen met intimidatie, ongewenste aanrakingen en een gevoel van onveiligheid in drukke publieksmassa’s. Dat probleem is echt.
Maar de vraag is of je dat oplost door een andere groep collectief naar achteren te sturen. Sociale psychologen weten al decennia dat mensen zich razendsnel gaan identificeren met een groep zodra die groep wordt benoemd. Zelfs volledig willekeurige groepsindelingen zijn genoeg om een wij-zijgevoel te creëren. De beroemde minimal group-experimenten van Henri Tajfel laten zien hoe gemakkelijk mensen hun eigen groep gaan bevoordelen zodra er een scheidslijn wordt getrokken. Misschien is dat precies waarom zulke uitspraken zoveel emotie oproepen. Niet omdat mensen ineens vergeten zijn dat witte mannen historisch gezien relatief veel macht hebben gehad, maar omdat vrijwel niemand het prettig vindt om als individu eerst tot categorie te worden gereduceerd.
Het opvallende is trouwens dat de actie tijdens het concert zelf nauwelijks problemen opleverde. Verschillende mannen deden lachend een stap naar achteren; de moshpit verliep zonder incidenten. De echte explosie ontstond pas online. Dat zegt misschien wel iets over de algemene negativiteit en vijandigheid van sociale media. Online bestaat er namelijk nog maar één knop: harder. Een symbolisch gebaar wordt fascisme. Een provocatie wordt haatzaaien. Een activist wordt een volksvijand. Vervolgens regent het bedreigingen, waarna de andere kant weer roept dat het bewijs is dat hun analyse klopt. Iedereen krijgt gelijk van zijn eigen algoritme.
Toch wringt er nog iets in Sophies oproep om meer solidariteit. Want als progressieve bewegingen eisen dat bedreigingen aan hún adres luidkeels worden veroordeeld, moeten ze diezelfde norm ook toepassen wanneer de bedreigde persoon Johan Derksen, Wierd Duk of Thierry Baudet heet. Hun standpunten zijn natuurlijk niet hetzelfde – dat zijn ze allerminst – maar de spelregel hoort wél hetzelfde te zijn. Bedreigingen zijn geen acceptabel antwoord op woorden. Punt. We zijn uitstekend geworden in solidariteit met mensen die hetzelfde denken als wij. Veel minder goed in het verdedigen van principes die óók gelden voor mensen waar we een hekel aan hebben. Dat voelt minder bevredigend dan iemand naar achteren sturen. Maar democratie is gelukkig ook niet bedoeld als moshpit.