Het probleem met genderneutraal ouderschap

Door: Luuke Raaijmakers

Stel: je krijgt een dochter. Vanaf dag één ben je vastberaden haar te beschermen tegen de roze gevangenis die de wereld voor haar heeft klaargezet. Geen speelgoedstofzuigertje terwijl haar broertje een scheikundedoos krijgt. Geen rompertje met Daddy says I can’t date until I’m 30. Geen automatische poppen, prinsessenjurken en complimentjes over hoe mooi ze wel niet is. Jouw dochter krijgt dinosaurussen, LEGO, modder en alle kleuren van de regenboog. En dan wordt ze vier en wil ze maar één ding. Roze. Roze jurk. Roze schoenen. Roze glitterdiadeem. Het liefst iedere ochtend eruitzien alsof ze onderweg is naar haar kroning in Disneyland. Waar ging het mis?

Het idee achter ‘genderneutraal ouderschap’ is behoorlijk sympathiek. Genderneutraal opvoeden betekent voor de meeste ouders helemaal niet dat je doet alsof jongens en meisjes niet bestaan. Het betekent vooral dat je probeert te voorkomen dat het geslacht van een kind alvast bepaalt welke speelgoedbak, sport, kleur, emotie of toekomst bij hem of haar hoort. Er bestaan overigens extremere varianten, waarbij ouders bijvoorbeeld het geslacht van hun baby niet met de buitenwereld delen, maar het begrip omvat een enorm spectrum.

En daar valt genoeg voor te zeggen. Een systematische review van 45 onderzoeken concludeerde dat ouders jongens en meisjes daadwerkelijk verschillend benaderen: onder meer in hoe ze met hen praten, spelen en welk speelgoed ze aanbieden. Die verschillen hangen vervolgens samen met verschillen in gedrag en ontwikkeling.

Ook speelgoed is minder onschuldig dan het eruitziet. Onderzoek laat zien dat ouders speelgoed dat traditioneel bij het geslacht van hun kind past aantrekkelijker vinden dan speelgoed dat bij het andere geslacht hoort. En in internationaal onderzoek van het Geena Davis Institute en LEGO bleek bovendien een opvallende asymmetrie: ouders sturen zonen vaker richting STEM, sport en fysieke activiteiten, terwijl dochters vaker richting kunst, drama en andere traditioneel vrouwelijke bezigheden worden gestuurd.

Kortom: het is bepaald geen slecht idee om je zoon ook een pop en je dochter ook een gereedschapskist voor te schotelen. Maar dan gebeurt er iets merkwaardigs. Van ‘mijn kind mag alles kiezen’ schuiven we ongemerkt naar ‘hopelijk kiest mijn kind iets lekker stereotype-doorbrekends’. Want geef toe: er zit iets bevredigends in een jongetje dat in een prinsessenjurk naar school wil. Kijk hem eens vrij zijn! Maar wanneer datzelfde jongetje ineens alleen nog maar monstertrucks, ridders en voetbal wil, ontstaat bij sommige progressieve ouders toch een minuscuul ongemak. Hebben we ergens iets verkeerd gedaan? Dan hebben we de oude mal niet weggegooid. We hebben hem alleen vervangen door een hippere.

Kinderen blijken bovendien zelf fanatieke sorteermachines. Volgens de gender-schematheorie van psycholoog Sandra Bem bouwen ze categorieën waarmee ze de sociale wereld proberen te begrijpen. Ze zien wie jurken draagt, wie kort haar heeft, wie ‘hij’ en wie ‘zij’ wordt genoemd en trekken daar soms heerlijk stellige peuterconclusies uit. Dat betekent niet dat opvoeding niets uitmaakt, maar ouders zijn ook niet de programmeurs van een leeg kinderbrein. Leeftijdsgenoten, school, familie, reclame en cultuur programmeren vrolijk mee. Een recente Australische studie onder 253 ouders van jonge kinderen laat die spanning zien: ouders vonden genderneutraal opvoeden doorgaans belangrijk, maar liepen tegen allerlei barrières vanuit familie, omgeving en samenleving aan.

Deels zit het probleem daarom al in het woord genderneutraal. Dat geeft het gevoel dat neutraliteit het eindstation is. Alsof een geslaagde opvoeding een beige kind oplevert dat precies evenveel van vrachtwagens als Barbies houdt. Maar vrijheid betekent niet dat je dochter géén prinses mag zijn. Vrijheid betekent dat ze prinses mag zijn zonder dat iemand daaruit concludeert dat ze daarom geen ingenieur kan worden. Het betekent dat je zoon op voetbal mag én mag huilen wanneer hij verliest.

Het doel zou dus niet moeten zijn om kinderen zo genderneutraal mogelijk te maken, maar om gender zo min mogelijk als begrenzing te gebruiken. Niet: welke keuze bewijst dat mijn opvoeding is geslaagd? Maar: weet mijn kind dat iedere keuze werkelijk beschikbaar is? Want zodra een meisje dat van roze houdt een teleurstelling wordt voor feministische ouders, hebben we haar opnieuw gevraagd aan onze ideeën over vrouwelijkheid te voldoen. Alleen dit keer draagt de kooi een beige Montessori-jasje.