Je wereld is zo groot als je woordenboek
Door: Luuke Raaijmakers
Ik ben verdrietig. Ik ben gestrest. Ik ben onzeker. Ik ben boos. Heel normaal Nederlands. Maar stiekem doen we met dat kleine werkwoordje iets behoorlijk groots: we maken een tijdelijke emotie onderdeel van onze identiteit. Jij vóélt niet verdriet, jij bént verdrietig. In het Iers werkt dat anders. Daar wordt een emotie eerder uitgedrukt als iets wat op je ligt: er is verdriet op mij. Angst is daarmee geen eigenschap van jou, maar een toestand die langskomt – en dus ook weer kan vertrekken.
Het is een voorbeeld dat me ineens hyperbewust maakt van taal. Want wat als de woorden die we gebruiken niet alleen beschrijven hoe we de wereld zien, maar mede bepalen wat we überhaupt zien?
Welkom bij de linguïstische relativiteit. De sterke versie van de beroemde Sapir-Whorf-hypothese – dat taal volledig bepaalt wat je kúnt denken – wordt door wetenschappers niet breed aanvaard. Maar voor een subtielere versie bestaat behoorlijk fascinerend bewijs: de taal die je dagelijks gebruikt, kan je aandacht, waarneming en denkgewoonten sturen.
Neem kleur. In het Engels is blauw gewoon blue. Russische sprekers moeten onderscheid maken tussen lichtblauw (goluboy) en donkerblauw (siniy). In een experiment bleken Russische deelnemers sneller twee tinten blauw van elkaar te onderscheiden wanneer die aan weerszijden van die talige grens lagen. Engelse deelnemers hadden dat voordeel niet. Geef iets een aparte naam en je brein lijkt er dus ook nét iets alerter op te worden.
Nog leuker zijn de Kuuk Thaayorre, een Aboriginalgemeenschap in Australië. Hun taal gebruikt nauwelijks ons ‘links’ en ‘rechts’, maar werkt met windrichtingen. Een mier zit dus niet op je linkerbeen, maar bijvoorbeeld op je zuidwestelijke been. Het gevolg: sprekers zijn uitzonderlijk goed georiënteerd. Toen onderzoekers hen plaatjes in chronologische volgorde lieten leggen, liep de tijd bovendien niet standaard van links naar rechts, zoals bij Engelstaligen, maar van oost naar west. Draai de proefpersoon om en de tijdlijn draaide mee.
Taal kan zelfs meespelen bij morele beslissingen. Onderzoekers legden proefpersonen het beroemde dilemma voor waarin je één persoon kunt opofferen om vijf anderen te redden. Wanneer mensen het dilemma in een vreemde taal lazen, kozen ze in bepaalde varianten vaker voor de utilitaristische optie: één dode om vijf levens te redden. Een mogelijke verklaring is dat een tweede taal meer psychologische afstand creëert en minder automatisch toegang geeft tot emotioneel geladen normen. En dan wordt taal politiek.
In Wordslut laat feminist en taalkundige Amanda Montell zien hoeveel culturele bagage in doodgewone woorden verstopt zit. Zo betekende hussy ooit simpelweg huisvrouw en kon slut verwijzen naar een slordig persoon, óók een man. Inmiddels hoef ik vermoedelijk niemand uit te leggen op welk geslacht die woorden voornamelijk als belediging worden afgevuurd.
Ook interessant: we hebben een girlboss, maar zelden een boyboss. Een vrouwelijke arts werd lang expliciet een ‘vrouwelijke arts’ genoemd, terwijl bij een man het woord ‘arts’ voldoende was. De man fungeert zo ongemerkt als standaardinstelling; de vrouw als afwijking waarop een extra etiket moet. Montell beschrijft bovendien hoe taalgebruik van jonge vrouwen – denk aan like, uptalk en andere verguisde ‘meisjestaal’ – geregeld wordt bespot, terwijl juist jonge vrouwen vaak taalvernieuwingen aanjagen die later breder worden overgenomen.
Dat betekent gelukkig niet dat we marionetten van ons woordenboek zijn. Een Nederlander zonder woord voor goluboy kan lichtblauw heus zien en iemand die zegt ‘ik bén verdrietig’ denkt niet automatisch dat verdriet eeuwig duurt. Taal is geen gevangenis, het is eerder een zaklamp. Waar je taal een woord voor heeft, schijnt het licht nét iets feller. En dat maakt taal veranderen ook interessanter dan ‘politieke correctheid’. Nieuwe woorden bedenken, oude woorden terugpakken of stoppen met iemand een girlboss te noemen verandert de wereld niet onmiddellijk. Maar het kan wel veranderen waar we naar kijken, welke verschillen we belangrijk vinden en wat we als normaal beschouwen. De grenzen van onze taal zijn dus niet letterlijk de grenzen van onze wereld. Maar ze tekenen wel de lijntjes waarbinnen we haar iedere dag inkleuren.