Misschien is je ex gewoon een mens

Door: Luuke Raaijmakers

Mijn favoriete hobby na een mislukte date is tegenwoordig amateurpsychologie. Hij appt ineens minder? Vermijdende hechtingsstijl. Hij was de eerste weken extreem enthousiast? Love bombing. Hij ontkent dat hij iets op die manier heeft gezegd? Gaslighting. Hij praat opvallend graag over zichzelf? Narcist. En als ík vervolgens drie dagen obsessief analyseer waarom iemand na twee dates een punt achter onze prille romance zette, heb ik waarschijnlijk een angstige hechtingsstijl. Handig, al die woorden. Binnen tien minuten hebben we twee complete persoonlijkheden gediagnosticeerd. Zonder psychologie-diploma. Gratis.

In All About Love schreef Bell Hooks: “Our patterns around love are unlikely to change if we do not change our language.” Naar mijn idee is dat juist nu relevant, want we hebben de afgelopen jaren ontzettend veel nieuwe taal gekregen om relaties te begrijpen. De American Psychological Association constateert dat begrippen als gaslighting, narcissism en boundaries inmiddels onderdeel zijn geworden van het alledaagse vocabulaire van miljoenen mensen. Dat heeft voordelen. Woorden kunnen ervaringen zichtbaar maken waarvoor we eerder nauwelijks taal hadden. Maar taal kan ook een kooi worden.

Op sociale media wordt inmiddels gesproken over therapy-speak: psychologische begrippen die buiten hun oorspronkelijke context terechtkomen en daar worden versimpeld. Onderzoekers beschrijven bijvoorbeeld hoe een verschil in herinnering ‘gaslighting’ kan worden genoemd en een nare jeugdervaring automatisch ‘trauma’. In The Language of Love wordt hetzelfde treffend samengevat: liegen is niet automatisch gaslighting, zelfvertrouwen is geen narcisme, affectie is niet per definitie love bombing en introversie is niet hetzelfde als vermijding.

Zelfs onze geliefde hechtingsstijlen zijn minder keurig dan TikTok doet vermoeden. Wetenschappers vonden dat volwassen hechting beter kan worden gezien als een spectrum dan als afzonderlijke hokjes waarin je ‘veilig’, ‘angstig’ of ‘vermijdend’ bent. Longitudinaal onderzoek laat bovendien zien dat hechting weliswaar enige stabiliteit kent, maar ook kan fluctueren. Je bént dus niet noodzakelijk ‘een vermijder’. Misschien vind je intimiteit in sommige situaties spannend. Misschien heb je behoefte aan meer tijd. Misschien vind je déze persoon simpelweg niet leuk genoeg. Misschien ben je moe. Misschien ben je een lul. Ook dat bestaat nog.

Het probleem met labels is niet dat ze nooit kloppen, maar dat ze nieuwsgierigheid kunnen beëindigen. Zodra ik besluit dat mijn date ‘vermijdend gehecht’ is, hoef ik niet meer te vragen waarom hij afstand neemt. Ik heb het antwoord al. In een essay waarschuwt Jamila Bradley precies daarvoor: wanneer we iedereen om ons heen diagnosticeren, veranderen relaties in een checklist van stoornissen in plaats van een oefening in empathie en verbinding.

En dat begrijpen blijkt belangrijk. Relatieonderzoekers noemen perceived partner responsiveness – het gevoel dat je partner je begrijpt, waardeert en om je welzijn geeft – een fundamenteel onderdeel van intimiteit. Een goede relatie draait dus waarschijnlijk minder om twee perfect gehechte, volledig ‘geheelde’ mensen en meer om twee unieke mensen die nieuwsgierig blijven naar elkaar. Daarvoor moeten we, zoals hooks suggereerde, onze taal veranderen. Niet: Waarom is hij zo vermijdend? Maar: Wat heeft hij nodig? Niet: Ben ik te needy? Maar: Wat heb ík nodig om me prettig te voelen? En vervolgens de moeilijkste vraag: kunnen die twee dingen naast elkaar bestaan? Uiteindelijk is immers het belangrijkste aan partnerschap dat het voor beide partijen bevredigend is.

Ik stel dus voor: laten we minder goed gaan diagnosticeren, en laten we elkaar beter leren kennen. Want soms is iemand geen narcistische, love bombende, emotioneel onbeschikbare avoidant met commitment issues. Soms is het gewoon Pieter. En Pieter appt niet zo graag.