De dood van intellect: waarom boeken worden geschreven alsof hun lezers dom zijn

Door: Luuke Raaijmakers

Ik heb de laatste tijd iets raars met nieuwe boeken. Ik lees een zin waarin een personage zwijgend de kamer uitloopt en denk: interessant. Vervolgens vertelt de schrijver mij dat ze wegloopt omdat ze boos is. O. Daarna denkt het hoofdpersonage nog even na over het feit dat haar vriendin waarschijnlijk boos is. Ja, dank je. Ik was erbij. Het is alsof moderne fictie steeds minder vertrouwen heeft in haar lezer.

Literatuurcriticus Anna Kornbluh noemt in Immediacy: Or, The Style of Too Late Capitalism een dominante hedendaagse stijl: ‘immediacy’. Eerste persoon, tegenwoordige tijd, korte tijdsspannes, veel (uitgelegd) gevoel, weinig afstand. Snelheid, transparantie en herkenbaarheid winnen het van omwegen, metaforen en ingewikkelde constructies. Verhalen vertellen ons steeds vaker wat een scène betekent, in plaats van erop te vertrouwen dat wij dat zelf ontdekken.

En het gebeurt niet alleen in boeken. Criticus Namwali Serpell noemt de filmvariant in The New Yorker ‘New Literalism’: symboliek en subtekst worden zo nadrukkelijk uitgelegd dat interpretatie bijna overbodig wordt. In Anora zijn de overeenkomsten met Assepoester bijvoorbeeld moeilijk te missen, en tóch noemt een personage haar letterlijk Cinderella.

Daar komt de ‘tropeficatie’ van literatuur bovenop. Op BookTok wordt een boek niet alleen verkocht als verhaal, maar als verzameling herkenbare ingrediënten: enemies to lovers, found family, morally grey man, one bed. Handig, want zo weet je vóór pagina één ongeveer welke emotionele knoppen het boek gaat indrukken. Literatuur wordt bijna een menukaart.

Ook de schrijverij zelf is veranderd. Essayist Erik Hoel stelt dat de enorme groei van Amerikaanse MFA-opleidingen een ‘workshopped’ stijl heeft voortgebracht: schrijvers worden binnen dezelfde instituties door andere schrijvers beoordeeld, waardoor bepaalde technieken, stemmen en veilige keuzes zich eindeloos kunnen reproduceren. Kornbluh wijst eveneens op MFA-cursussen waarin de persoonlijke stem en het beroemde write what you know een belangrijke plaats kregen. Het resultaat kan een eindeloze stoet hoofdpersonen worden die verdacht veel op hun makers lijken.

Maar er is ook een mogelijk andere verklaring: misschien schrijven auteurs zo omdat wij erom vragen. Onze aandacht concurreert inmiddels de hele dag met notificaties, filmpjes en algoritmes. In de Verenigde Staten daalde het aandeel volwassenen dat in een jaar minstens één boek las van 54,6 procent in 2012 naar 48,5 procent in 2022. Mary Harrington waarschuwde in The New York Times zelfs dat diep lezen en geconcentreerd denken langzaam luxevaardigheden dreigen te worden in een smartphonecultuur.

Toch is het te makkelijk om te concluderen dat lezers daadwerkelijk dommer zijn geworden. In Nederland behoort de geletterdheid van volwassenen nog altijd tot de hoogste van de onderzochte OECD-landen; 19 procent haalt zelfs de hoogste niveaus, waarop mensen lange, complexe teksten en verborgen betekenissen kunnen doorgronden. We kunnen het dus wel.

Dat is ergens ook het treurige. Want literatuur was bij uitstek de plek waar niemand je halverwege kwam vertellen wat je ervan moest vinden. Je mocht over Humbert Humbert lezen in Lolita zonder dat de auteur, Nabokov, na iedere drie pagina’s verscheen met: LET OP, DEZE MAN IS SLECHT. Een personage mocht afschuwelijk zijn. Een einde onbevredigend. Een metafoor onverklaard. Kunst hoefde geen standpunt in hapklare brokken af te leveren.

Intellect sterft niet doordat we te dom zijn geworden voor moeilijke boeken. Het sterft iedere keer een klein beetje wanneer een boek ervan uitgaat dat we dat zijn. Laat mij maar twijfelen, terugbladeren en iets verkeerd begrijpen. Laat me desnoods een kwartier naar één zin staren. Ik ben een lezer. Geen lege pagina die gevuld moet worden.