Nederland gidsland? Niet als het gaat om vrouwenrechten
Door: Luuke Raaijmakers
Nederland ziet zichzelf graag als het vooruitstrevende jongetje van de klas. Abortus, homohuwelijk, vrouwenrechten: wij hadden het allemaal keurig geregeld terwijl de rest van de wereld nog moest bijbenen. Alleen blijkt uit de nieuwste Global Gender Gap Index dat het jongetje een meisje is, die inmiddels achterin de klas zit. Nederland daalde dit jaar opnieuw drie plaatsen en staat nu 46ste van 145 landen. Vorig jaar verloren we al vijftien plekken. Ter vergelijking: Duitsland staat negende.
Het voelt een beetje gek, omdat we geen land zijn waar vrouwen géén rechten hebben: Nederlandse meisjes niet naar school mogen, en op onderwijs scoort Nederland uitstekend. Het probleem begint daarna. Vrouwen zijn hoogopgeleid, maar bezetten slechts 29,6 procent van de hogere leiderschapsfuncties. En hoewel Nederlandse vrouwen massaal werken, doet 65 procent van de werkende vrouwen tussen 25 en 65 dat in deeltijd, tegenover 19 procent van de mannen. Slechts 70 procent van de vrouwen is economisch zelfstandig; bij mannen is dat 82,6 procent.
Dat deeltijdwerken ontstaat bovendien niet in een vacuüm. Kinderopvang, verlofregelingen, sociale normen en de ongelijke verdeling van zorgtaken houden vrouwen volgens de SER mede in wat treffend de ‘deeltijdklem’ wordt genoemd. Nederland heeft nog veel ontwikkeling te gaan, maar dat is misschien wel Nederlands grootste probleem: we verwarren keuzevrijheid graag met gelijkheid. Natuurlijk mag een vrouw drie dagen werken omdat ze dat fijn vindt. Maar wanneer miljoenen vrouwen ongeveer dezelfde ‘vrije keuze’ maken en mannen vaak een andere, is het op zijn minst interessant om te vragen hoe vrij die keuze werkelijk tot stand komt. Nederland is niet plotseling achteruitgegaan naar 1950. Andere landen bewegen alleen sneller vooruit.