Waarom worden verkrachtingen nog vaak amper serieus genomen?
Door: Luuke Raaijmakers
Zeven mannen, één studentenvereniging en een groepschat waarin een jonge vrouw volgens een rechtszaak op Snapchat werd omschreven als beschikbaar voor seks. De zaak rond de Amerikaanse Cornell University leest bijna als een extreem voorbeeld van alles wat er mis kan gaan rond seksueel geweld.
Een voormalig studente stelt dat zij in 2024, toen ze twintig was, bij studentenvereniging Chi Phi werd gedrogeerd en urenlang seksueel misbruikt door meerdere mannen. Ze heeft zeven (oud-)studenten en onder meer Cornell aangeklaagd. De universiteit onderzocht de zaak intern en legde straffen op. Of nou ja, soort van. De mannen moesten een essay schrijven. Strafrechtelijke vervolging kwam er destijds niet. Nu de vrouw een civiele zaak is begonnen en nieuwe informatie publiek is geworden, heeft de openbaar aanklager het strafrechtelijke onderzoek heropend.
Dat maakt deze zaak zo pijnlijk herkenbaar. Seksueel geweld noemen we een van de ernstigste misdrijven, maar slachtoffers moeten vaak een bijna onmogelijke bewijs- en geloofwaardigheidstest doorstaan. En zelfs dan is de straf vaak nog extreem mild. Ook in Nederland wordt slechts 7,7 procent van de seksuele delicten bij de politie aangegeven. Zelfs praten erover blijkt ingewikkeld. Actrice Florence Pugh deelde de Cornell-zaak op Instagram en ontdekte vervolgens dat haar bericht voor sommige gebruikers werd afgeschermd of minder zichtbaar was. Instagram heeft vooralsnog niet publiekelijk uitgelegd waarom. Dat is een vreemde paradox: we zeggen dat slachtoffers hun verhaal moeten vertellen, maar zodra dat verhaal ongemakkelijk, expliciet of institutioneel pijnlijk wordt, lijken er ineens allerlei mechanismen te bestaan die het zachter, kleiner of minder zichtbaar maken.