Hoe mannen monopoly kregen over Monopoly: een spel bedacht door een vrouw
Door: Luuke Raaijmakers
Het wordt kouder buiten en dat betekent dat het gezelliger wordt in onze woningen: cosy season. De kaarsjes gaan aan, de dekentjes gedrapeerd, warme drankjes worden geserveerd en bordspellen worden uit de kast gehaald. Eén van de wereldwijd best verkochte bordspellen aller tijden is Monopoly; sinds de introductie in 1935 zijn er wereldwijd meer dan 275 miljoen exemplaren verkocht. Je zou dus kunnen zeggen dat het spel, ironisch gezien, een kapitalistisch succes is. Maar het verhaal achter Monopoly is zelfs nóg stereotypisch kapitalistischer dan de meest mensen weten: er gaat seksisme achter schuil. Het idee achter Monopoly is namelijk gestolen van een vrouw.
In 1904 bedacht progressieve schrijver Elizabeth Magie The Landlord’s Game, om visueel aan te tonen wat de economische gevaren zijn van land monopolies, en om de grondbelastingtheorie van Henry George te promoten. Die theorie hield in dat George vond dat grond of aarde niet het eigendom mag zijn van individuen, en dat alle overheidshuishoudingen en publieke uitgaven moesten worden gefinancierd door één enkele belasting: een heffing op de onverbeterde waarde van grond. The Landlord’s Game bestond uit een vierkant bord met eigendommen, spoorwegen en een vakje “Ga naar de gevangenis”, en bevatte oorspronkelijk twee sets spelregels: een anti-monopolistische variant (waarbij rijkdom werd gedeeld) en een monopolistische variant (waarbij één persoon de rest verpletterde). Het was hiermee een aanklacht tegen het kapitalisme en de schaduwkanten van dit systeem.
Charles Darrow, een werkloze verkoper van verwarmingssystemen tijdens de Grote Depressie, leerde een variant kennen van het spel van Magie (dat via een netwerk van lokale spelers, zoals de familie Todd en Quaker-gemeenschappen, was verspreid). Darrow schrapte de coöperatieve en anti-monopolistische regels van Magie, behield de meedogenloze eliminatiemechanieken, voegde eigen illustraties toe en presenteerde de uitvinding als zijn eigen werk: Monopoly. In 1935 verkocht hij het spel aan Parker Brothers. Hij werd multimiljonair, terwijl hij zichzelf neerzette als het enige genie achter Monopoly. Toen Magie ontdekte wat er was gebeurd, gaf ze interviews aan The Washington Post en The Evening Star om aan te tonen dat Darrow het spel niet had uitgevonden. Om hun auteursrechtelijke claims veilig te stellen en haar het zwijgen op te leggen, kocht Parker Brothers in 1936 het patent van Magie voor een schamele 500 dollar – zonder enige royalty’s – en bleven ze decennialang Darrow naar voren schuiven als de enige bedenker. Pas decennia later werd dit verdrietige verleden blootgelegd door het onderzoekswerk van journaliste Mary Pilon en economieprofessor Ralph Anspach, tijdens een rechtszaak over een handelsmerk in de jaren zeventig.
Wat dit verhaal zo schrijnend maakt, is dat het zo typisch is. Doordat Magie aan de hand van een spel de nare economische gevaren van het kapitalisme aankaartte, maakte ze onbedoeld nog meer duidelijk over het kapitalisme: het succesverhaal van het kapitalisme gaat alleen op wanneer anderen het onderspit delven. Soms zijn dat gemeenschappen die financieel lijden, en soms is dat een vrouw wier genialiteit wordt gestolen door een oncreatieve man.